Naar de inhoud

circa 1010–970 BC

The Reign of David

David unites the tribes, conquers Jerusalem, and establishes Israel's golden age—even through deep personal failure.

1,230 verzen · 2 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. 1 Kronieken 11:17ca. 1055 v.Chr.

    En David kreeg lust, en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die onder de poort is?

  2. 1 Kronieken 11:18ca. 1055 v.Chr.

    Toen braken die drie door het leger der Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die onder de poort is, en zij droegen het en brachten het tot David. Doch David wilde het niet drinken, maar hij goot het uit voor den HEERE;

  3. 1 Kronieken 11:19ca. 1055 v.Chr.

    En hij zeide: Dat late mijn God verre van mij zijn, van zulks te doen! Zou ik het bloed dezer mannen drinken? Met gevaar huns levens, ja, met gevaar huns levens hebben zij dat gebracht. En hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden.

  4. 1 Kronieken 11:20ca. 1055 v.Chr.

    Abisai nu, de broeder van Joab, was ook het hoofd van drie; en hij, verheffende zijn spies tegen driehonderd, versloeg hen; alzo had hij een naam onder die drie.

  5. 1 Kronieken 11:21ca. 1055 v.Chr.

    Uit die drie was hij geeerd boven de twee; daarom werd hij hun tot een overste; maar hij kwam tot aan de eerste drie niet.

  6. 1 Kronieken 11:22ca. 1055 v.Chr.

    Benaja, de zoon van Jojada, de zoon eens dapperen mans van Kabzeel, was groot van daden; hij versloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en versloeg een leeuw in het midden des kuils, in den sneeuwtijd.

  7. 1 Kronieken 11:23ca. 1055 v.Chr.

    Hij versloeg ook een Egyptischen man, een man van grote lengte, van vijf ellen; en die Egyptenaar had een spies in de hand, als een weversboom; maar hij ging tot hem af met een staf, en rukte de spies uit de hand des Egyptenaars, en hij doodde hem met zijn eigen spies.

  8. 1 Kronieken 11:24ca. 1055 v.Chr.

    Deze dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; dies had hij een naam onder die drie helden.

  9. 1 Kronieken 11:25ca. 1055 v.Chr.

    Ziet, hij was de heerlijkste van die dertig; nochtans kwam hij tot aan de drie niet. En David stelde hem over zijn trawanten.

  10. 1 Kronieken 11:26ca. 1055 v.Chr.

    De helden nu der heiren waren: Asahel, de broeder van Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;

  11. 1 Kronieken 11:27ca. 1055 v.Chr.

    Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;

  12. 1 Kronieken 11:28ca. 1055 v.Chr.

    Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;

  13. 1 Kronieken 11:29ca. 1055 v.Chr.

    Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;

  14. 1 Kronieken 11:30ca. 1055 v.Chr.

    Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, de Netofathiet;

  15. 1 Kronieken 11:31ca. 1055 v.Chr.

    Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet;

  16. 1 Kronieken 11:32ca. 1055 v.Chr.

    Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;

  17. 1 Kronieken 11:33ca. 1055 v.Chr.

    Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;

  18. 1 Kronieken 11:34ca. 1055 v.Chr.

    Van de kinderen van Hasem, den Gizoniet, was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet;

  19. 1 Kronieken 11:35ca. 1055 v.Chr.

    Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;

  20. 1 Kronieken 11:36ca. 1055 v.Chr.

    Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet;

  21. 1 Kronieken 11:37ca. 1055 v.Chr.

    Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;

  22. 1 Kronieken 11:38ca. 1055 v.Chr.

    Joel, de broeder van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri;

  23. 1 Kronieken 11:39ca. 1055 v.Chr.

    Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;

  24. 1 Kronieken 11:40ca. 1055 v.Chr.

    Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;

  25. 1 Kronieken 11:41ca. 1055 v.Chr.

    Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;