Naar de inhoud

circa 1010–970 BC

The Reign of David

David unites the tribes, conquers Jerusalem, and establishes Israel's golden age—even through deep personal failure.

1,230 verzen · 2 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. 1 Kronieken 10:6ca. 1056 v.Chr.

    Alzo stierf Saul en zijn drie zonen; ook zijn ganse huis is tegelijk gestorven.

  2. 1 Kronieken 10:7ca. 1056 v.Chr.

    Als al de mannen van Israel, die in het dal waren, zagen, dat zij gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij hun steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.

  3. 1 Kronieken 10:8ca. 1056 v.Chr.

    Het geschiedde nu des anderen daags, als de Filistijnen kwamen om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn zonen, liggende op het gebergte Gilboa.

  4. 1 Kronieken 10:9ca. 1056 v.Chr.

    En zij plunderden hem, en zij namen zijn hoofd en zijn wapenen, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om dit te boodschappen aan hun afgoden, en aan het volk.

  5. 1 Kronieken 10:10ca. 1056 v.Chr.

    En zij legden zijn wapenen in het huis huns gods; en zijn hoofd hechtten zij in het huis van Dagon.

  6. 1 Kronieken 10:11ca. 1056 v.Chr.

    Als geheel Jabes in Gilead hoorde alles, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden,

  7. 1 Kronieken 10:12ca. 1056 v.Chr.

    Zo maakten zich alle strijdbare mannen op, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijner zonen, en zij brachten ze te Jabes; en zij begroeven hun beenderen onder een eikenboom te Jabes, en zij vastten zeven dagen.

  8. 1 Kronieken 10:13ca. 1056 v.Chr.

    Alzo stierf Saul, in zijn overtreding, waarmede hij overtreden had tegen den HEERE, tegen het woord des HEEREN hetwelk hij niet gehouden had; en ook omdat hij de waarzegster gevraagd had, haar zoekende,

  9. 1 Kronieken 10:14ca. 1056 v.Chr.

    En den HEERE niet gezocht had; daarom doodde Hij hem, en keerde het koninkrijk tot David, den zoon van Isai.

  10. 1 Kronieken 11:1ca. 1048 v.Chr.

    Toen vergaderde zich gans Israel tot David naar Hebron, zeggende: Zie, wij zijn uw gebeente en uw vlees.

  11. 1 Kronieken 11:2ca. 1048 v.Chr.

    Zelfs ook te voren, toen Saul nog koning was, hebt gij Israel uitgeleid en ingeleid; ook heeft de HEERE, uw God, tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israel weiden, en gij zult voorganger zijn van Mijn volk Israel.

  12. 1 Kronieken 11:3ca. 1048 v.Chr.

    Ook kwamen alle oudsten in Israel tot den koning van Hebron, en David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht des HEEREN; en zij zalfden David ten koning over Israel, naar het woord des HEEREN, door den dienst van Samuel.

  13. 1 Kronieken 11:4ca. 1048 v.Chr.

    En David toog henen, en gans Israel, naar Jeruzalem, welke is Jebus; want daar waren de Jebusieten, de inwoners des lands.

  14. 1 Kronieken 11:5ca. 1048 v.Chr.

    En de inwoners van Jebus zeiden tot David: Gij zult hier niet inkomen. David dan nog won den burg Sion, welke is de stad Davids.

  15. 1 Kronieken 11:6ca. 1048 v.Chr.

    Want David zeide: Al wie de Jebusieten het eerst slaat, zal tot een hoofd, en tot een overste worden. Toen beklom Joab, de zoon van Zeruja, dien het eerst; daarom werd hij tot een hoofd.

  16. 1 Kronieken 11:7ca. 1048 v.Chr.

    David nu woonde op den burg; daarom heet men dien de stad Davids.

  17. 1 Kronieken 11:8ca. 1048 v.Chr.

    En hij bouwde de stad rondom, van Millo af, en rondom henen; en Joab vernieuwde het overige der stad.

  18. 1 Kronieken 11:9ca. 1048 v.Chr.

    En David ging geduriglijk voort, en werd groot, want de HEERE der heirscharen was met hem.

  19. 1 Kronieken 11:10ca. 1055 v.Chr.

    Dezen nu waren de hoofden der helden, die David had, die zich dapper bij hem gedragen hebben in zijn koninkrijk bij geheel Israel, om hem koning te maken, naar het woord des HEEREN over Israel.

  20. 1 Kronieken 11:11ca. 1055 v.Chr.

    Dezen nu zijn van het getal der helden, die David had: Jasobam, de zoon van Hachmoni, was het hoofd der dertigen, die zijn spies tegen driehonderd opheffende, hen op eenmaal versloeg.

  21. 1 Kronieken 11:12ca. 1055 v.Chr.

    En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, de Ahohiet; hij was onder die drie helden.

  22. 1 Kronieken 11:13ca. 1055 v.Chr.

    Hij was met David te Pas-Dammim, als de Filistijnen daar ten strijde vergaderd waren, en het stuk des akkers vol gerst was, en het volk voor het aangezicht der Filistijnen vlood;

  23. 1 Kronieken 11:14ca. 1055 v.Chr.

    En zij stelden zich in het midden van dat stuk, en beschermden het, en zij sloegen de Filistijnen; en de HEERE verloste hen door een grote verlossing.

  24. 1 Kronieken 11:15ca. 1055 v.Chr.

    En drie uit de dertig hoofden togen af naar den rotssteen tot David in de spelonk van Adullam; en het leger der Filistijnen had zich gelegerd in het dal Refaim.

  25. 1 Kronieken 11:16ca. 1055 v.Chr.

    En David was toen in de vesting en de bezetting der Filistijnen was toen te Bethlehem.