Naar de inhoud

circa 2100–1900 BC

Abraham: The Covenant

God calls Abram from Ur, establishes an everlasting covenant, and promises a son through whom all nations will be blessed.

394 verzen · 1 boek behandeld

Verzen uit dit tijdvak

  1. Genesis 14:13ca. 1913 v.Chr.

    Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, den Hebreer, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, den Amoriet, broeder van Eskol, en broeder van Aner, welke Abrams bondgenoten waren.

  2. Genesis 14:14ca. 1913 v.Chr.

    Als Abram hoorde, dat zijn broeder gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe.

  3. Genesis 14:15ca. 1913 v.Chr.

    En hij verdeelde zich tegen hen des nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, hetwelk is ter linkerhand van Damaskus.

  4. Genesis 14:16ca. 1913 v.Chr.

    En hij bracht alle have weder, en ook Lot zijn broeder en deszelfs have bracht hij weder, als ook de vrouwen, en het volk.

  5. Genesis 14:17ca. 1913 v.Chr.

    En de koning van Sodom toog uit, hem tegemoet (nadat hij wedergekeerd was van het slaan van Kedor-Laomer, en van de koningen, die met hem waren), tot het dal Schave, dat is, het dal des konings.

  6. Genesis 14:18ca. 1913 v.Chr.

    En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods.

  7. Genesis 14:19ca. 1913 v.Chr.

    En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit!

  8. Genesis 14:20ca. 1913 v.Chr.

    En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.

  9. Genesis 14:21ca. 1913 v.Chr.

    En de koning van Sodom zeide tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de have voor u.

  10. Genesis 14:22ca. 1913 v.Chr.

    Doch Abram zeide tot den koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot den HEERE, den allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit;

  11. Genesis 14:23ca. 1913 v.Chr.

    Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!

  12. Genesis 14:24ca. 1913 v.Chr.

    Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen!

  13. Genesis 15:1ca. 1911 v.Chr.

    Na deze dingen geschiedde het woord des HEEREN tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.

  14. Genesis 15:2ca. 1911 v.Chr.

    Toen zeide Abram: Heere, HEERE! wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliezer?

  15. Genesis 15:3ca. 1911 v.Chr.

    Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn!

  16. Genesis 15:4ca. 1911 v.Chr.

    En ziet, het woord des HEEREN was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn.

  17. Genesis 15:5ca. 1911 v.Chr.

    Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zeide: Zie nu op naar den hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn!

  18. Genesis 15:6ca. 1911 v.Chr.

    En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.

  19. Genesis 15:7ca. 1911 v.Chr.

    Voorts zeide Hij tot hem: Ik ben de HEERE, Die u uitgeleid heb uit Ur der Chaldeen, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten.

  20. Genesis 15:8ca. 1911 v.Chr.

    En hij zeide: Heere, HEERE! waarbij zal ik weten, dat ik het erfelijk bezitten zal?

  21. Genesis 15:9ca. 1911 v.Chr.

    En Hij zeide tot hem: Neem Mij een driejarige vaars, en een driejarige geit, en een driejarige ram, en een tortelduif, en een jonge duif.

  22. Genesis 15:10ca. 1911 v.Chr.

    En hij bracht Hem deze alle, en hij deelde ze middendoor, en hij legde elks deel tegen het andere over; maar het gevogelte deelde hij niet.

  23. Genesis 15:11ca. 1911 v.Chr.

    En het wild gevogelte kwam neder op het aas; maar Abram joeg het weg.

  24. Genesis 15:12ca. 1911 v.Chr.

    En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.

  25. Genesis 15:13ca. 1911 v.Chr.

    Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren.