Naar de inhoud

circa 1900–1700 BC

Jacob, Joseph & Egypt

Jacob wrestles with God and becomes Israel; Joseph is sold into slavery yet rises to save the world from famine.

840 verzen · 1 boek behandeld

Verzen uit dit tijdvak

  1. Genesis 43:3ca. 1707 v.Chr.

    Toen sprak Juda tot hem, zeggende: Die man heeft ons op het hoogste betuigd, zeggende: Gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broeder met u is.

  2. Genesis 43:4ca. 1707 v.Chr.

    Indien gij onzen broeder met ons zendt, wij zullen aftrekken, en u spijze kopen;

  3. Genesis 43:5ca. 1707 v.Chr.

    Maar indien gij hem niet zendt, wij zullen niet aftrekken; want die man heeft tot ons gezegd: Gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broeder met u is.

  4. Genesis 43:6ca. 1707 v.Chr.

    En Israel zeide: Waarom hebt gij zo kwalijk aan mij gedaan, dat gij dien man te kennen gaaft, of gij nog een broeder hadt?

  5. Genesis 43:7ca. 1707 v.Chr.

    En zij zeiden: Die man vraagde zeer nauw naar ons, en naar onze maagschap, zeggende: Leeft uw vader nog; hebt gij nog een broeder? Zo gaven wij het hem te kennen, volgens diezelfde woorden; hebben wij juist geweten, dat hij zeggen zou: Brengt uw broeder af?

  6. Genesis 43:8ca. 1707 v.Chr.

    Toen zeide Juda tot Israel, zijn vader: Zend den jongeling met mij, zo zullen wij ons opmaken en reizen, opdat wij leven en niet sterven, noch wij, noch gij, noch onze kinderkens.

  7. Genesis 43:9ca. 1707 v.Chr.

    Ik zal borg voor hem zijn; van mijn hand zult gij hem eisen; indien ik hem tot u niet breng en hem voor uw aangezicht stel, zo zal ik alle dagen tegen u gezondigd hebben!

  8. Genesis 43:10ca. 1707 v.Chr.

    Want hadden wij niet gezuimd, voorwaar, wij waren alreeds tweemaal wedergekomen.

  9. Genesis 43:11ca. 1707 v.Chr.

    Toen zeide Israel, hun vader, tot hen: Is het nu alzo, zo doet dit; neemt van het loffelijkste dezes lands in uwe vaten, en brengt dien man een geschenk henen af: een weinig balsem, en een weinig honig, specerijen en mirre, terpentijnnoten en amandelen.

  10. Genesis 43:12ca. 1707 v.Chr.

    En neemt dubbel geld in uw hand; en brengt het geld, hetwelk in den mond uwer zakken wedergekeerd is, weder in uw hand; misschien is het een feil.

  11. Genesis 43:13ca. 1707 v.Chr.

    Neemt ook uw broeder mede, en maakt u op, keert weder tot dien man.

  12. Genesis 43:14ca. 1707 v.Chr.

    En God, de Almachtige, geve u barmhartigheid voor het aangezicht van dien man, dat hij uw anderen broeder en Benjamin met u late gaan! En mij aangaande, als ik van kinderen beroofd ben, zo ben ik beroofd!

  13. Genesis 43:15ca. 1707 v.Chr.

    En die mannen namen dat geschenk, en namen dubbel geld in hun hand, en Benjamin; en zij maakten zich op, en togen af naar Egypte, en zij stonden voor Jozefs aangezicht.

  14. Genesis 43:16ca. 1707 v.Chr.

    Als Jozef Benjamin met hen zag, zo zeide hij tot dengene, die over zijn huis was: Breng deze mannen naar het huis toe, en slacht slachtvee, en maak het gereed; want deze mannen zullen te middag met mij eten.

  15. Genesis 43:17ca. 1707 v.Chr.

    De man nu deed, gelijk Jozef gezegd had; en de man bracht deze mannen in het huis van Jozef.

  16. Genesis 43:18ca. 1707 v.Chr.

    Toen vreesden deze mannen, omdat zij in het huis van Jozef gebracht werden, en zeiden: Ter oorzake van het geld, dat in het begin in onze zakken wedergekeerd is, worden wij ingebracht, opdat hij ons overrompele en ons overvalle, en ons tot slaven neme, met onze ezelen.

  17. Genesis 43:19ca. 1707 v.Chr.

    Daarom naderden zij tot dien man, die over het huis van Jozef was, en zij spraken tot hem aan de deur van het huis.

  18. Genesis 43:20ca. 1707 v.Chr.

    En zij zeiden: Och, mijn heer! wij waren in het begin gewisselijk afgekomen, om spijze te kopen.

  19. Genesis 43:21ca. 1707 v.Chr.

    Het is nu geschied, als wij in de herberg gekomen waren, en wij onze zakken opendeden, zie, zo was ieders mans geld in den mond van zijn zak, ons geld in zijn gewicht; en wij hebben hetzelve wedergebracht in onze hand.

  20. Genesis 43:22ca. 1707 v.Chr.

    Wij hebben ook ander geld in onze hand afgebracht, om spijze te kopen; wij weten niet, wie ons geld in onze zakken gelegd heeft.

  21. Genesis 43:23ca. 1707 v.Chr.

    En hij zeide: Vrede zij ulieden, vreest niet! Uw God en de God uws vaders heeft u een schat in uw zakken gegeven; uw geld is tot mij gekomen. En hij bracht Simeon tot hen uit.

  22. Genesis 43:24ca. 1707 v.Chr.

    Daarna bracht de man deze mannen in het huis van Jozef, en hij gaf water; en zij wiesen hun voeten; hij gaf ook aan hun ezelen voeder.

  23. Genesis 43:25ca. 1707 v.Chr.

    En zij bereidden het geschenk, totdat Jozef kwam op den middag; want zij hadden gehoord, dat zij aldaar brood eten zouden.

  24. Genesis 43:26ca. 1707 v.Chr.

    Als nu Jozef te huis gekomen was, zo brachten zij hem het geschenk, hetwelk in hun hand was, in het huis, en zij bogen zich voor hem ter aarde.

  25. Genesis 43:27ca. 1707 v.Chr.

    En hij vraagde hun naar hun welstand, en zeide: Is het wel met uw vader, den oude, waarvan gij zeidet? Leeft hij nog?