- English
- King James KJV
- Complete Jewish CJB
- World English WEBM
- Berean Standard BSB
- American Standard ASV
- Geneva GNV
- Young's Literal YLT
- Douay-Rheims DRC
- International
- Shqip ALB
- العربية SVD
- বাংলা BN-IRV
- မြန်မာ Judson
- 简体文 CUV-S
- 繁體中文 CUV-T
- Čeština BKR
- Nederlands STVE
- Français LSG
- Deutsch SCH
- Ελληνικά Vamvas
- ગુજરાતી GU-IRV
- Hausa HCB
- עברית Hebrew
- हिन्दी HCV
- Magyar KAROLI
- Bahasa Indonesia INDO-TB
- Italiano Diodati
- 日本語 Kougo
- 한국어 Korean
- മലയാളം MAL
- मराठी MRCV
- Norsk DNB
- فارسی OPV
- Polski BG
- Português Almeida
- Română Cornilescu
- Русский Synodal
- Español RVG
- Kiswahili Neno
- Svenska SV1917
- Tagalog TAG-ADB
- தமிழ் TCV
- తెలుగు TSA
- ภาษาไทย THAI-KJV
- Українська Ohienko
- Tiếng Việt CADMAN
- Yorùbá YCB
circa 2100–1900 BC
Abraham: The Covenant
God calls Abram from Ur, establishes an everlasting covenant, and promises a son through whom all nations will be blessed.
Verzen uit dit tijdvak
- Genesis 21:11ca. 1893 v.Chr.
En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon.
- Genesis 21:12ca. 1893 v.Chr.
Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden.
- Genesis 21:13ca. 1893 v.Chr.
Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is.
- Genesis 21:14ca. 1892 v.Chr.
Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba.
- Genesis 21:15ca. 1892 v.Chr.
Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind onder een van de struiken.
- Genesis 21:16ca. 1892 v.Chr.
En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met de boog schieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief haar stem op, en weende.
- Genesis 21:17ca. 1892 v.Chr.
En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse, waar hij is.
- Genesis 21:18ca. 1892 v.Chr.
Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen.
- Genesis 21:19ca. 1892 v.Chr.
En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf den jongen te drinken.
- Genesis 21:20ca. 1892 v.Chr.
En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter.
- Genesis 21:21ca. 1892 v.Chr.
En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland.
- Genesis 21:22ca. 1886 v.Chr.
Voorts geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, mitsgaders Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat gij doet.
- Genesis 21:23ca. 1886 v.Chr.
Zo zweer mij nu hier bij God: Zo gij mij, of mijn zoon, of mijn neef liegen zult! naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, zult gij doen bij mij, en bij het land, waarin gij als vreemdeling verkeert.
- Genesis 21:24ca. 1886 v.Chr.
En Abraham zeide: Ik zal zweren.
- Genesis 21:25ca. 1886 v.Chr.
En Abraham berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden.
- Genesis 21:26ca. 1886 v.Chr.
Toen zeide Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden.
- Genesis 21:27ca. 1886 v.Chr.
En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech; en die beiden maakten een verbond.
- Genesis 21:28ca. 1886 v.Chr.
Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder.
- Genesis 21:29ca. 1886 v.Chr.
Zo zeide Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt?
- Genesis 21:30ca. 1886 v.Chr.
En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb.
- Genesis 21:31ca. 1886 v.Chr.
Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.
- Genesis 21:32ca. 1886 v.Chr.
Alzo maakten zij een verbond te Ber-seba. Daarna stond Abimelech op, en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden wederom naar het land der Filistijnen.
- Genesis 21:33ca. 1886 v.Chr.
En hij plantte een bos in Ber-seba, en riep aldaar den Naam des HEEREN, des eeuwigen Gods, aan.
- Genesis 21:34ca. 1886 v.Chr.
En Abraham woonde als vreemdeling vele dagen in het land der Filistijnen.
- Genesis 22:1ca. 1872 v.Chr.
En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zeide tot hem: Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!