Naar de inhoud

Bijbelverzen over Holy Land

108 verzen · 37 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. En deze landpale zal afgaan van Sefam naar Ribla, tegen het oosten van Ain; daarna zal deze landpale afgaan en strekken langs den oever van de zee Cinnereth oostwaarts.

  2. Voorts zal deze landpale afgaan langs de Jordaan, en haar uitgangen zullen zijn aan de Zoutzee. Dit zal u zijn het land naar zijn landpale rondom.

  3. Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  4. Dit zijn de namen der mannen, die ulieden het land ten erve zullen uitdelen: Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun.

  5. Daartoe zult gij uit elken stam een overste nemen, om het land ten erve uit te delen.

  6. En dit zijn de namen dezer mannen: van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne;

  7. En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;

  8. Van den stam van Benjamin, Elidad, zoon van Chislon;

  9. En van den stam der kinderen van Dan, de overste Bukki, zoon van Jogli;

  10. Van de kinderen van Jozef: van den stam der kinderen van Manasse, de overste Hanniel, zoon van Efod;

  11. En van den stam der kinderen van Efraim, de overste Kemuel, zoon van Siftan;

  12. En van den stam der kinderen van Zebulon, de overste Elizafan, zoon van Parnach;

  13. En van den stam der kinderen van Issaschar, de overste Paltiel, zoon van Azzan;

  14. En van den stam der kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi;

  15. En van den stam der kinderen van Nafthali, de overste Pedael, zoon van Ammihud.

  16. Dit zijn ze, dien de HEERE geboden heeft, den kinderen Israels de erfenissen uit te delen, in het land Kanaan.

  17. Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten;

  18. Een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgebomen, en granaatappelen; een land van olierijke olijfbomen, en van honig;

  19. Een land, waarin gij brood zonder schaarsheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal; een land, welks stenen ijzer zijn, en uit welks bergen gij koper uithouwen zult.

  20. Want het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven, is niet als Egypteland, van waar gij uitgegaan zijt, hetwelk gij bezaaidet met uw zaad, en bewaterdet met uw gang, als een kruidhof.

  21. Maar het land, waarheen gij overtrekt, om dat te erven, is een land van bergen en van dalen; het drinkt water bij den regen des hemels;

  22. Een land, dat de HEERE, uw God, bezorgt; de ogen des HEEREN, uws Gods, zijn gedurig daarop, van het begin des jaars tot het einde des jaars.

  23. Want zo gij naarstiglijk houdt al deze geboden, die ik u gebiede om die te doen, den HEERE, uw God, liefhebbende, wandelende in al Zijn wegen, en Hem aanhangende;

  24. Zo zal de HEERE al deze volken voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en gij zult erfelijk bezitten groter en machtiger volken, dan gij zijt.

  25. Alle plaats, waar uw voetzool op treedt, zal de uwe zijn; van de woestijn en den Libanon, van de rivier, de rivier Frath, tot aan de achterste zee, zal uw landpale zijn.