Skip to content

Bijbelverzen over Holy Land

108 verzen · 37 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Daarna gebood hij hun, en zeide tot hen: Ik word verzameld tot mijn volk: begraaft mij bij mijn vaders, in de spelonk, die is in den akker van Efron, den Hethiet;

  2. In de spelonk, welke is op den akker van Machpela, die tegenover Mamre is, in het land Kanaan, die Abraham met dien akker gekocht heeft van Efron, den Hethiet, tot een erfbegrafenis.

  3. Aldaar hebben zij Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw; daar hebben zij Izak begraven, en Rebekka, zijn huisvrouw; en daar heb ik Lea begraven.

  4. Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer gij zult gekomen zijn in dat land, dat Ik u geve, dan zal dat land rusten, een sabbat den HEERE.

  5. Zes jaren zult gij uw akker bezaaien, en zes jaren uw wijngaard besnijden, en de inkomst daarvan inzamelen.

  6. Doch in het zevende jaar zal voor het land een sabbat der rust zijn, een sabbat den HEERE; uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden.

  7. Wat van zelf van uw oogst zal gewassen zijn, zult gij niet inoogsten, en de druiven uwer afzondering zult gij niet afsnijden; het zal een jaar der ruste voor het land zijn.

  8. En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  9. Zend u mannen uit: die het land Kanaan verspieden, hetwelk Ik den kinderen Israels geven zal; van elken stam zijner vaderen zult gijlieden een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen.

  10. Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar den mond des HEEREN; al die mannen waren hoofden der kinderen Israels.

  11. En dit zijn hun namen: van den stam van Ruben, Sammua, de zoon van Zaccur.

  12. Van de stam van Simeon, Safat, de zoon van Hori.

  13. Van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne.

  14. Van de stam van Issaschar, Jigeal, de zoon van Jozef.

  15. Van de stam van Efraim, Hosea, de zoon van Nun.

  16. Van de stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu.

  17. Van de stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi.

  18. Van de stam van Jozef, voor den stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi.

  19. Van de stam van Dan, Ammiel, de zoon van Gemalli.

  20. Van de stam van Aser, Sethur, de zoon van Michael.

  21. Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.

  22. Van de stam van Gad, Guel, de zoon van Machi.

  23. Dit zijn de namen der mannen, die Mozes zond, om dat land te verspieden; en Mozes noemde Hosea, den zoon van Nun, Jozua.

  24. Mozes dan zond hen, om het land Kanaan te verspieden; en hij zeide tot hen: Trekt dit henen op tegen het zuiden, en klimt op het gebergte;

  25. En beziet het land, hoedanig het zij, en het volk, dat daarin woont, of het sterk zij of zwak, of het weinig zij of veel;