Naar de inhoud

Issachar

38 verzen · 18 familieleden

Verzen die Issachar noemen

Filter op boek
  1. Toen zeide Lea: God heeft mijn loon gegeven, nadat ik mijn dienstmaagd aan mijn man gegeven heb; en zij noemde zijn naam Issaschar.

  2. De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon.

  3. En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.

  4. Issaschar is een sterk gebeende ezel, nederliggende tussen twee pakken.

  5. Issaschar, Zebulon, en Benjamin;

  6. Van Issaschar, Nethaneel, de zoon van Zuar.

  7. Van de zonen van Issaschar, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,

  8. Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.

  9. En nevens zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneel, de zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn.

  10. Op den tweeden dag offerde Nethaneel, de zoon van Zuar, de overste van Issaschar.

  11. En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Nethaneel, den zoon van Zuar.

  12. Van de stam van Issaschar, Jigeal, de zoon van Jozef.

  13. De zonen van Issaschar, naar hun geslachten, waren: van Tola het geslacht der Tolaieten; van Puva het geslacht der Punieten;

  14. Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd.

  15. En van den stam der kinderen van Issaschar, de overste Paltiel, zoon van Azzan;

  16. Dezen zullen staan, om het volk te zegenen op den berg Gerizim, als gij over de Jordaan gegaan zult zijn: Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Jozef, en Benjamin.

  17. En van Zebulon zeide hij: Verheug u, Zebulon! over uw uittocht, en Issaschar! over uw hutten.

  18. Het vierde lot ging uit voor Issaschar, voor de kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen.

  19. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.

  20. En aan den kinderen van Gerson, van de huisgezinnen van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den halven stam van Manasse, in Bazan, bij het lot, dertien steden.

  21. En van den stam van Issaschar, Kisjon en haar voorsteden, en Dobrath en haar voorsteden;

  22. Ook waren de vorsten in Issaschar met Debora; en gelijk Issaschar, alzo was Barak; op zijn voeten werd hij gezonden in het dal. In Rubens gedeelten waren de inbeeldingen des harten groot.

  23. Na Abimelech nu stond op, om Israel te behouden, Thola, een zoon van Pua, zoon van Dodo, een man van Issaschar; en hij woonde te Samir, op het gebergte van Efraim.

  24. Josafath, de zoon van Paruah, in Issaschar.

  25. En Baesa, de zoon van Ahia, van het huis van Issaschar, maakte een verbintenis tegen hem, en Baesa sloeg hem te Gibbethon, hetwelk der Filistijnen is, als Nadab en gans Israel Gibbethon belegerden.