Naar de inhoud

circa 1446–1406 BC

The Wilderness Years

Forty years of wandering in the desert test Israel's faith and prepare a new generation to enter the promised land.

2,247 verzen · 2 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Deuteronomium 2:17ca. 1453 v.Chr.

    Dat de HEERE tot mij sprak, zeggende:

  2. Deuteronomium 2:18ca. 1453 v.Chr.

    Gij zult heden doortrekken aan Ar, de landpale van Moab;

  3. Deuteronomium 2:19ca. 1453 v.Chr.

    En gij zult naderen tegenover de kinderen Ammons; beangstig die niet, en meng u met hen niet; want Ik zal u van het land der kinderen Ammons geen erfenis geven, dewijl Ik het aan Lots kinderen ter erfenis gegeven heb.

  4. Deuteronomium 2:20ca. 1453 v.Chr.

    Dit werd ook voor een land der reuzen gehouden; de reuzen woonden te voren daarin, en de Ammonieten noemden hen Zamzummieten;

  5. Deuteronomium 2:21ca. 1453 v.Chr.

    Een groot, en menigvuldig, en lang volk, als de Enakieten; en de HEERE verdelgde hen voor hun aangezicht, zodat zij hen uit de bezitting verdreven, en aan hunlieder plaats woonden;

  6. Deuteronomium 2:22ca. 1453 v.Chr.

    Gelijk als Hij aan de kinderen van Ezau, die in Seir wonen, gedaan heeft, voor welker aangezicht Hij de Horieten verdelgde; en zij verdreven hen uit de bezitting, en hebben aan hun plaats gewoond tot op dezen dag.

  7. Deuteronomium 2:23ca. 1453 v.Chr.

    Ook hebben de Kafthorieten, die uit Kafthor uittogen, de Avieten, die in Hazerim tot Gaza toe woonden, verdelgd, en aan hun plaats gewoond.

  8. Deuteronomium 2:24ca. 1453 v.Chr.

    Maakt u op, reist heen, en gaat over de beek Arnon; ziet, Ik heb Sihon, den koning van Hesbon, den Amoriet, en zijn land, in uw hand gegeven; begint te erven, en mengt u met hen in den strijd.

  9. Deuteronomium 2:25ca. 1453 v.Chr.

    Te dezen dage zal Ik beginnen uw schrik en uw vreze te geven over het aangezicht der volken, onder den gansen hemel; die uw gerucht zullen horen, die zullen sidderen, en bang zijn van uw aangezicht.

  10. Deuteronomium 2:26ca. 1453 v.Chr.

    Toen zond ik boden uit de woestijn Kedemot tot Sihon, den koning van Hesbon, met woorden van vrede, zeggende:

  11. Deuteronomium 2:27ca. 1453 v.Chr.

    Laat mij door uw land doortrekken; ik zal alleenlijk langs den weg voorttrekken; ik zal noch ter rechterhand noch ter linkerhand uitwijken.

  12. Deuteronomium 2:28ca. 1453 v.Chr.

    Verkoop mij spijze voor geld, dat ik ete, en geef mij water voor geld, dat ik drinke; alleenlijk laat mij op mijn voeten doortrekken;

  13. Deuteronomium 2:29ca. 1453 v.Chr.

    Gelijk de kinderen van Ezau, die in Seir wonen, en de Moabieten, die in Ar wonen, mij gedaan hebben; totdat ik over de Jordaan kome in het land, dat de HEERE, onze God, ons geven zal.

  14. Deuteronomium 2:30ca. 1453 v.Chr.

    Maar Sihon, de koning van Hesbon, wilde ons door hetzelve niet laten doortrekken; want de HEERE,, uw God, verhardde zijn geest, en verstokte zijn hart, opdat Hij hem in uw hand gave, gelijk het is te dezen dage.

  15. Deuteronomium 2:31ca. 1453 v.Chr.

    En de HEERE zeide tot mij: Zie, Ik heb begonnen Sihon en zijn land voor uw aangezicht te geven; begin dan te erven, om zijn land erfelijk te bezitten.

  16. Deuteronomium 2:32ca. 1453 v.Chr.

    En Sihon toog uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde, naar Jahaz.

  17. Deuteronomium 2:33ca. 1453 v.Chr.

    En de HEERE, onze God, gaf hem voor ons aangezicht; en wij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk.

  18. Deuteronomium 2:34ca. 1453 v.Chr.

    En wij namen te dier tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderkens; wij lieten niemand overblijven.

  19. Deuteronomium 2:35ca. 1453 v.Chr.

    Het vee alleen roofden wij voor ons, en den roof der steden, die wij innamen.

  20. Deuteronomium 2:36ca. 1453 v.Chr.

    Van Aroer af, dat aan den oever der beek Arnon is, en de stad, die aan de beek is, ook tot Gilead toe, was er geen stad, die voor ons te hoog was; de HEERE, onze God, gaf dat alles voor ons aangezicht.

  21. Deuteronomium 2:37ca. 1453 v.Chr.

    Behalve tot het land van de kinderen Ammons naderdet gij niet, noch tot de ganse streek der beek Jabbok, noch tot de steden van het gebergte, noch tot iets, dat de HEERE, onze God, ons verboden had.

  22. Deuteronomium 3:1ca. 1452 v.Chr.

    Daarna keerden wij ons en togen op, den weg van Bazan; en Og, de koning van Bazan, trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde bij Edrei.

  23. Deuteronomium 3:2ca. 1452 v.Chr.

    Toen zeide de HEERE tot mij: Vrees hem niet, want Ik heb hem, en al zijn volk, en zijn land, in uw hand gegeven; en gij zult hem doen, gelijk als gij Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt.

  24. Deuteronomium 3:3ca. 1452 v.Chr.

    En de HEERE, onze God, gaf ook Og, den koning van Bazan, en al zijn volk, in onze hand, zodat wij hem sloegen, totdat wij hem niemand lieten overblijven.

  25. Deuteronomium 3:4ca. 1452 v.Chr.

    En wij namen te dier tijd al zijn steden; er was geen stad, die wij van hen niet namen: zestig steden, de ganse landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Bazan.