Naar de inhoud

circa 1446–1406 BC

The Wilderness Years

Forty years of wandering in the desert test Israel's faith and prepare a new generation to enter the promised land.

2,247 verzen · 2 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Deuteronomium 1:38ca. 1451 v.Chr.

    Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk denzelven, want hij zal het Israel doen erven.

  2. Deuteronomium 1:39ca. 1451 v.Chr.

    En uw kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen tot een roof zijn; en uw kinderen, die heden noch goed noch kwaad weten, die zullen daarin komen, en dien zal Ik het geven, en die zullen het erfelijk bezitten.

  3. Deuteronomium 1:40ca. 1451 v.Chr.

    Gij daarentegen, keert u, en reist naar de woestijn, den weg van de Schelfzee.

  4. Deuteronomium 1:41ca. 1451 v.Chr.

    Toen antwoorddet gij, en zeidet tot mij: Wij hebben tegen den HEERE gezondigd; wij zullen optrekken, en strijden, naar alles, wat de HEERE, onze God, ons geboden heeft. Als gij nu een iegelijk zijn krijgsgereedschap aangorddet, en willens waart, om naar het gebergte henen op te trekken,

  5. Deuteronomium 1:42ca. 1451 v.Chr.

    Zo zeide de HEERE tot mij: Zeg hun: Trekt niet op, en strijdt niet, want Ik ben niet in het midden van u; opdat gij niet voor het aangezicht uwer vijanden geslagen wordet.

  6. Deuteronomium 1:43ca. 1451 v.Chr.

    Doch als ik tot u sprak, zo hoordet gij niet, maar waart den mond des HEEREN wederspannig, en handeldet trotselijk, en toogt op naar het gebergte.

  7. Deuteronomium 1:44ca. 1451 v.Chr.

    Toen togen de Amorieten uit, die op dat gebergte woonden, u tegemoet, en vervolgden u, gelijk als de bijen doen; en zij verpletterden u in Seir tot Horma toe.

  8. Deuteronomium 1:45ca. 1451 v.Chr.

    Als gij nu wederkwaamt en weendet voor het aangezicht des HEEREN, zo verhoorde de HEERE uw stem niet, en neigde Zijn oren niet tot u.

  9. Deuteronomium 1:46ca. 1451 v.Chr.

    Alzo bleeft gij in Kades vele dagen, naar de dagen, dat gij er bleeft.

  10. Deuteronomium 2:1ca. 1453 v.Chr.

    Daarna keerden wij ons, en reisden naar de woestijn, den weg van de Schelfzee, gelijk de HEERE tot mij gesproken had, en wij togen om het gebergte Seir, vele dagen.

  11. Deuteronomium 2:2ca. 1453 v.Chr.

    Toen sprak de HEERE tot mij, zeggende:

  12. Deuteronomium 2:3ca. 1453 v.Chr.

    Gijlieden hebt dit gebergte genoeg omgetogen; keert u naar het noorden;

  13. Deuteronomium 2:4ca. 1453 v.Chr.

    En gebied het volk, zeggende: Gij zult doortrekken aan de landpale uwer broederen, de kinderen van Ezau, die in Seir wonen; zij zullen wel voor u vrezen; maar gij zult u zeer wachten.

  14. Deuteronomium 2:5ca. 1453 v.Chr.

    Mengt u niet met hen; want Ik zal u van hun land niet geven, ook niet tot de betreding van een voetzool; want Ik heb Ezau het gebergte Seir ter erfenis gegeven.

  15. Deuteronomium 2:6ca. 1453 v.Chr.

    Spijze zult gij voor geld van hen kopen, dat gij etet; en ook zult gij water voor geld van hen kopen, dat gij drinket.

  16. Deuteronomium 2:7ca. 1453 v.Chr.

    Want de HEERE, uw God, heeft u gezegend in al het werk uwer hand; Hij kent uw wandelen door deze zo grote woestijn; deze veertig jaren is de HEERE, uw God, met u geweest; geen ding heeft u ontbroken.

  17. Deuteronomium 2:8ca. 1453 v.Chr.

    Als wij nu doorgetrokken waren van onze broederen, de kinderen van Ezau, die in Seir woonden, van den weg des vlakken velds, van Elath, en van Ezeon-Geber, zo keerden wij ons, en doortogen den weg der woestijn van Moab.

  18. Deuteronomium 2:9ca. 1453 v.Chr.

    Toen sprak de HEERE tot mij: Beangstig Moab niet, en meng u niet met hen in den strijd; want Ik zal u geen erfenis van hun land geven, dewijl Ik aan Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb.

  19. Deuteronomium 2:10ca. 1453 v.Chr.

    De Emieten woonden te voren daarin, een groot, en menigvuldig, en lang volk, gelijk de Enakieten.

  20. Deuteronomium 2:11ca. 1453 v.Chr.

    Dezen werden ook voor reuzen gehouden, als de Enakieten; en de Moabieten noemden hen Emieten.

  21. Deuteronomium 2:12ca. 1453 v.Chr.

    Ook woonden de Horieten te voren in Seir; maar de kinderen van Ezau verdreven hen uit de bezitting en verdelgden hen van hun aangezicht, en hebben in hunlieder plaats gewoond; gelijk als Israel gedaan heeft aan het land zijner erfenis, hetwelk de HEERE hun gegeven heeft.

  22. Deuteronomium 2:13ca. 1453 v.Chr.

    Nu, maakt u op, en trekt over de beek Zered. Alzo trokken wij over de beek Zered.

  23. Deuteronomium 2:14ca. 1453 v.Chr.

    De dagen nu, die wij gewandeld hebben van Kades-Barnea, totdat wij over de beek Zered getogen zijn, waren acht en dertig jaren; totdat het ganse geslacht der krijgslieden uit het midden der heirlegers verteerd was, gelijk de HEERE hun gezworen had.

  24. Deuteronomium 2:15ca. 1453 v.Chr.

    Zo was ook de hand des HEEREN tegen hen, om hen uit het midden des heirlegers te verslaan, totdat zij verteerd waren.

  25. Deuteronomium 2:16ca. 1453 v.Chr.

    En het geschiedde, als al de krijgslieden verteerd waren, uit het midden des heirlegers wegstervende,