Naar de inhoud

circa 1446–1406 BC

The Wilderness Years

Forty years of wandering in the desert test Israel's faith and prepare a new generation to enter the promised land.

2,247 verzen · 2 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Deuteronomium 33:20ca. 1451 v.Chr.

    En van Gad zeide hij: Gezegend zij, die aan Gad ruimte maakt! hij woont als een oude leeuw, en verscheurt den arm, ja ook den schedel.

  2. Deuteronomium 33:21ca. 1451 v.Chr.

    En hij heeft zich van het eerste voorzien, omdat hij aldaar in het deel des wetgevers bedekt was; daarom kwam hij met de hoofden des volks; hij verrichtte de gerechtigheid des HEEREN, en zijn gerichten met Israel.

  3. Deuteronomium 33:22ca. 1451 v.Chr.

    En van Dan zeide hij: Dan is een jonge leeuw; hij zal als uit Bazan voortspringen.

  4. Deuteronomium 33:23ca. 1451 v.Chr.

    En van Nafthali zeide hij: O Nafthali! wees verzadigd van de goedgunstigheid, en vol van den zegen des HEEREN; bezit erfelijk het westen en het zuiden.

  5. Deuteronomium 33:24ca. 1451 v.Chr.

    En van Aser zeide hij: Aser zij gezegend met zonen; hij zij zijn broederen aangenaam, en dope zijn voet in olie.

  6. Deuteronomium 33:25ca. 1451 v.Chr.

    Ijzer en koper zal onder uw schoen zijn; en uw sterkte gelijk uw dagen!

  7. Deuteronomium 33:26ca. 1451 v.Chr.

    Niemand is er gelijk God, o Jeschurun! Die op den hemel vaart tot uw hulp, en met Zijn hoogheid op de bovenste wolken.

  8. Deuteronomium 33:27ca. 1451 v.Chr.

    De eeuwige God zij u een woning, en van onder eeuwige armen; en Hij verdrijve den vijand voor uw aangezicht, en zegge: Verdelg!

  9. Deuteronomium 33:28ca. 1451 v.Chr.

    Israel dan zal zeker alleen wonen, en Jakobs oog zal zijn op een land van koren en most; ja, zijn hemel zal van dauw druipen.

  10. Deuteronomium 33:29ca. 1451 v.Chr.

    Welgelukzalig zijt gij, o Israel! wie is u gelijk? gij zijt een volk, verlost door den HEERE, het Schild uwer hulp, en Die een Zwaard is uwer hoogheid; daarom zullen zich uw vijanden geveinsdelijk aan u onderwerpen, en gij zult op hun hoogten treden!

  11. Deuteronomium 34:1ca. 1451 v.Chr.

    Toen ging Mozes op, uit de vlakke velden van Moab, naar den berg Nebo, op de hoogten van Pisga, welke recht tegenover Jericho is; en de HEERE wees hem dat ganse land, Gilead tot Dan toe;

  12. Deuteronomium 34:2ca. 1451 v.Chr.

    En het ganse Nafthali, en het land van Efraim en Manasse, en het ganse land van Juda, tot aan de achterste zee;

  13. Deuteronomium 34:3ca. 1451 v.Chr.

    En het Zuiden, en het effen veld der vallei van Jericho, de palmstad, tot Zoar toe.

  14. Deuteronomium 34:4ca. 1451 v.Chr.

    En de HEERE zeide tot hem: Dit is het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven! Ik heb het u met uw ogen doen zien, maar gij zult daarheen niet overgaan.

  15. Deuteronomium 34:5ca. 1451 v.Chr.

    Alzo stierf Mozes, de knecht des HEEREN, aldaar in het land van Moab, naar des HEEREN mond.

  16. Deuteronomium 34:6ca. 1451 v.Chr.

    En Hij begroef hem in een dal, in het land van Moab, tegenover Beth-Peor; en niemand heeft zijn graf geweten, tot op dezen dag.

  17. Deuteronomium 34:7ca. 1451 v.Chr.

    Mozes nu was honderd en twintig jaren oud, als hij stierf; zijn oog was niet donker geworden, en zijn kracht was niet vergaan.

  18. Deuteronomium 34:8ca. 1451 v.Chr.

    En de kinderen Israels beweenden Mozes, in de vlakke velden van Moab, dertig dagen; en de dagen des wenens, van den rouw over Mozes, werden voleindigd.

  19. Deuteronomium 34:9ca. 1451 v.Chr.

    Jozua nu, de zoon van Nun, was vol van den Geest der wijsheid; want Mozes had zijn handen op hem gelegd; zo hoorden de kinderen Israels naar hem, en deden gelijk als de HEERE Mozes geboden had.

  20. Deuteronomium 34:10ca. 1451 v.Chr.

    En er stond geen profeet meer op in Israel, gelijk Mozes, dien de HEERE gekend had, van aangezicht tot aangezicht,

  21. Deuteronomium 34:11ca. 1451 v.Chr.

    In al de tekenen en de wonderen, waartoe hem de HEERE gezonden heeft, om die in Egypteland te doen aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan al zijn land;

  22. Deuteronomium 34:12ca. 1451 v.Chr.

    En in al die sterke hand, en in al die grote verschrikking, die Mozes gedaan heeft voor de ogen van gans Israel.