circa 6 BC – AD 30
The Life of Jesus
The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.
Verzen uit dit tijdvak
- Mattheüs 26:41ca. 33 n.Chr.
Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
- Mattheüs 26:42ca. 33 n.Chr.
Wederom ten tweeden male heengaande, bad Hij, zeggende: Mijn Vader! Indien deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke, Uw wil geschiede!
- Mattheüs 26:43ca. 33 n.Chr.
En komende bij hen, vond Hij hen wederom slapende; want hun ogen waren bezwaard.
- Mattheüs 26:44ca. 33 n.Chr.
En hen latende, ging Hij wederom heen, en bad ten derden male, zeggende dezelfde woorden.
- Mattheüs 26:45ca. 33 n.Chr.
Toen kwam Hij tot Zijn discipelen, en zeide tot hen: Slaapt nu voort, en rust; ziet, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.
- Mattheüs 26:46ca. 33 n.Chr.
Staat op, laat ons gaan; ziet, hij is nabij, die Mij verraadt.
- Mattheüs 26:47ca. 33 n.Chr.
En als Hij nog sprak, ziet, Judas, een van de twaalven, kwam, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en ouderlingen des volks.
- Mattheüs 26:48ca. 33 n.Chr.
En die Hem verried, had hun een teken gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, Dezelve is het, grijpt Hem.
- Mattheüs 26:49ca. 33 n.Chr.
En terstond komende tot Jezus, zeide hij: Wees gegroet, Rabbi! en hij kuste Hem.
- Mattheüs 26:50ca. 33 n.Chr.
Maar Jezus zeide tot hem: Vriend! waartoe zijt gij hier! Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.
- Mattheüs 26:51ca. 33 n.Chr.
En ziet, een van degenen, die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des hogepriesters, hieuw zijn oor af.
- Mattheüs 26:52ca. 33 n.Chr.
Toen zeide Jezus tot hem: Keer uw zwaard weder in zijn plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.
- Mattheüs 26:53ca. 33 n.Chr.
Of meent gij, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten?
- Mattheüs 26:54ca. 33 n.Chr.
Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het alzo geschieden moet?
- Mattheüs 26:55ca. 33 n.Chr.
Ter zelfder ure sprak Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tegen een moordenaar, met zwaarden en stokken, om Mij te vangen; dagelijks zat Ik bij u, lerende in den tempel, en gij hebt Mij niet gegrepen;
- Mattheüs 26:56ca. 33 n.Chr.
Doch dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden vervuld worden. Toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende.
- Mattheüs 26:57ca. 33 n.Chr.
Die nu Jezus gevangen hadden, leidden Hem heen tot Kajafas, den hogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en ouderlingen vergaderd waren.
- Mattheüs 26:58ca. 33 n.Chr.
En Petrus volgde Hem van verre tot aan de zaal des hogepriesters, en binnengegaan zijnde, zat hij bij de dienaren, om het einde te zien.
- Mattheüs 26:59ca. 33 n.Chr.
En de overpriesters, en de ouderlingen, en de gehele grote raad zochten valse getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem doden mochten; en vonden niet.
- Mattheüs 26:60ca. 33 n.Chr.
En hoewel er vele valse getuigen toegekomen waren, zo vonden zij toch niet.
- Mattheüs 26:61ca. 33 n.Chr.
Maar ten laatste kwamen twee valse getuigen, en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzelven opbouwen.
- Mattheüs 26:62ca. 33 n.Chr.
En de hogepriester, opstaande, zeide tot Hem: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?
- Mattheüs 26:63ca. 33 n.Chr.
Doch Jezus zweeg stil. En de hogepriester, antwoordende, zeide tot Hem: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God?
- Mattheüs 26:64ca. 33 n.Chr.
Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg ulieden: Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechter hand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.
- Mattheüs 26:65ca. 33 n.Chr.
Toen verscheurde de hogepriester zijn klederen, zeggende: Hij heeft God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen van node? Ziet, nu hebt gij Zijn gods lastering gehoord.