Naar de inhoud

circa 6 BC – AD 30

The Life of Jesus

The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.

3,779 verzen · 4 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Mattheüs 26:41ca. 33 n.Chr.

    Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.

  2. Mattheüs 26:42ca. 33 n.Chr.

    Wederom ten tweeden male heengaande, bad Hij, zeggende: Mijn Vader! Indien deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke, Uw wil geschiede!

  3. Mattheüs 26:43ca. 33 n.Chr.

    En komende bij hen, vond Hij hen wederom slapende; want hun ogen waren bezwaard.

  4. Mattheüs 26:44ca. 33 n.Chr.

    En hen latende, ging Hij wederom heen, en bad ten derden male, zeggende dezelfde woorden.

  5. Mattheüs 26:45ca. 33 n.Chr.

    Toen kwam Hij tot Zijn discipelen, en zeide tot hen: Slaapt nu voort, en rust; ziet, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.

  6. Mattheüs 26:46ca. 33 n.Chr.

    Staat op, laat ons gaan; ziet, hij is nabij, die Mij verraadt.

  7. Mattheüs 26:47ca. 33 n.Chr.

    En als Hij nog sprak, ziet, Judas, een van de twaalven, kwam, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en ouderlingen des volks.

  8. Mattheüs 26:48ca. 33 n.Chr.

    En die Hem verried, had hun een teken gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, Dezelve is het, grijpt Hem.

  9. Mattheüs 26:49ca. 33 n.Chr.

    En terstond komende tot Jezus, zeide hij: Wees gegroet, Rabbi! en hij kuste Hem.

  10. Mattheüs 26:50ca. 33 n.Chr.

    Maar Jezus zeide tot hem: Vriend! waartoe zijt gij hier! Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.

  11. Mattheüs 26:51ca. 33 n.Chr.

    En ziet, een van degenen, die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des hogepriesters, hieuw zijn oor af.

  12. Mattheüs 26:52ca. 33 n.Chr.

    Toen zeide Jezus tot hem: Keer uw zwaard weder in zijn plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.

  13. Mattheüs 26:53ca. 33 n.Chr.

    Of meent gij, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten?

  14. Mattheüs 26:54ca. 33 n.Chr.

    Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het alzo geschieden moet?

  15. Mattheüs 26:55ca. 33 n.Chr.

    Ter zelfder ure sprak Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tegen een moordenaar, met zwaarden en stokken, om Mij te vangen; dagelijks zat Ik bij u, lerende in den tempel, en gij hebt Mij niet gegrepen;

  16. Mattheüs 26:56ca. 33 n.Chr.

    Doch dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden vervuld worden. Toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende.

  17. Mattheüs 26:57ca. 33 n.Chr.

    Die nu Jezus gevangen hadden, leidden Hem heen tot Kajafas, den hogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en ouderlingen vergaderd waren.

  18. Mattheüs 26:58ca. 33 n.Chr.

    En Petrus volgde Hem van verre tot aan de zaal des hogepriesters, en binnengegaan zijnde, zat hij bij de dienaren, om het einde te zien.

  19. Mattheüs 26:59ca. 33 n.Chr.

    En de overpriesters, en de ouderlingen, en de gehele grote raad zochten valse getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem doden mochten; en vonden niet.

  20. Mattheüs 26:60ca. 33 n.Chr.

    En hoewel er vele valse getuigen toegekomen waren, zo vonden zij toch niet.

  21. Mattheüs 26:61ca. 33 n.Chr.

    Maar ten laatste kwamen twee valse getuigen, en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzelven opbouwen.

  22. Mattheüs 26:62ca. 33 n.Chr.

    En de hogepriester, opstaande, zeide tot Hem: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?

  23. Mattheüs 26:63ca. 33 n.Chr.

    Doch Jezus zweeg stil. En de hogepriester, antwoordende, zeide tot Hem: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God?

  24. Mattheüs 26:64ca. 33 n.Chr.

    Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg ulieden: Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechter hand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.

  25. Mattheüs 26:65ca. 33 n.Chr.

    Toen verscheurde de hogepriester zijn klederen, zeggende: Hij heeft God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen van node? Ziet, nu hebt gij Zijn gods lastering gehoord.