circa 6 BC – AD 30
The Life of Jesus
The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.
Verzen uit dit tijdvak
- Mattheüs 26:16ca. 33 n.Chr.
En van toen af zocht hij gelegenheid, opdat hij Hem overleveren mocht.
- Mattheüs 26:17ca. 33 n.Chr.
En op den eerste dag der ongehevelde broden kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij U bereiden het pascha te eten?
- Mattheüs 26:18ca. 33 n.Chr.
En Hij zeide: Gaat heen in de stad, tot zulk een, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij, Ik zal bij u het pascha houden met Mijn discipelen.
- Mattheüs 26:19ca. 33 n.Chr.
En de discipelen deden, gelijk Jezus hun bevolen had, en bereidden het pascha.
- Mattheüs 26:20ca. 33 n.Chr.
En als het avond geworden was, zat Hij aan met de twaalven.
- Mattheüs 26:21ca. 33 n.Chr.
En toen zij aten, zeide Hij: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u Mij zal verraden.
- Mattheüs 26:22ca. 33 n.Chr.
En zij, zeer bedroefd geworden zijnde, begon een iegelijk van hen tot Hem te zeggen: Ben ik het, Heere?
- Mattheüs 26:23ca. 33 n.Chr.
En Hij, antwoordende, zeide: Die de hand met Mij in den schotel indoopt, die zal Mij verraden.
- Mattheüs 26:24ca. 33 n.Chr.
De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee dien mens, door welken de Zoon des mensen verraden wordt; het ware hem goed, zo die mens niet geboren was geweest.
- Mattheüs 26:25ca. 33 n.Chr.
En Judas, die Hem verried, antwoordde en zeide: Ben ik het, Rabbi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd.
- Mattheüs 26:26ca. 33 n.Chr.
En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het den discipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.
- Mattheüs 26:27ca. 33 n.Chr.
En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit;
- Mattheüs 26:28ca. 33 n.Chr.
Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.
- Mattheüs 26:29ca. 33 n.Chr.
En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer Ik met u dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Mijns Vaders.
- Mattheüs 26:30ca. 33 n.Chr.
En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.
- Mattheüs 26:31ca. 33 n.Chr.
Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij geergerd worden in deze nacht; want er is geschreven: Ik zal den Herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden.
- Mattheüs 26:32ca. 33 n.Chr.
Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
- Mattheüs 26:33ca. 33 n.Chr.
Doch Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Al werden zij ook allen aan U geergerd, ik zal nimmermeer geergerd worden.
- Mattheüs 26:34ca. 33 n.Chr.
Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.
- Mattheüs 26:35ca. 33 n.Chr.
Petrus zeide tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen! Desgelijks zeiden ook al de discipelen.
- Mattheüs 26:36ca. 33 n.Chr.
Toen ging Jezus met hen in een plaats genaamd Gethsemane, en zeide tot de discipelen: Zit hier neder, totdat Ik heenga, en aldaar zal gebeden hebben.
- Mattheüs 26:37ca. 33 n.Chr.
En met Zich nemende Petrus, en de twee zonen van Zebedeus, begon Hij droevig en zeer beangst te worden.
- Mattheüs 26:38ca. 33 n.Chr.
Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met Mij.
- Mattheüs 26:39ca. 33 n.Chr.
En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan? doch niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.
- Mattheüs 26:40ca. 33 n.Chr.
En Hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Kunt gij dan niet een uur met Mij waken?