Naar de inhoud

circa 6 BC – AD 30

The Life of Jesus

The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.

3,779 verzen · 4 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Mattheüs 26:16ca. 33 n.Chr.

    En van toen af zocht hij gelegenheid, opdat hij Hem overleveren mocht.

  2. Mattheüs 26:17ca. 33 n.Chr.

    En op den eerste dag der ongehevelde broden kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij U bereiden het pascha te eten?

  3. Mattheüs 26:18ca. 33 n.Chr.

    En Hij zeide: Gaat heen in de stad, tot zulk een, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij, Ik zal bij u het pascha houden met Mijn discipelen.

  4. Mattheüs 26:19ca. 33 n.Chr.

    En de discipelen deden, gelijk Jezus hun bevolen had, en bereidden het pascha.

  5. Mattheüs 26:20ca. 33 n.Chr.

    En als het avond geworden was, zat Hij aan met de twaalven.

  6. Mattheüs 26:21ca. 33 n.Chr.

    En toen zij aten, zeide Hij: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u Mij zal verraden.

  7. Mattheüs 26:22ca. 33 n.Chr.

    En zij, zeer bedroefd geworden zijnde, begon een iegelijk van hen tot Hem te zeggen: Ben ik het, Heere?

  8. Mattheüs 26:23ca. 33 n.Chr.

    En Hij, antwoordende, zeide: Die de hand met Mij in den schotel indoopt, die zal Mij verraden.

  9. Mattheüs 26:24ca. 33 n.Chr.

    De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee dien mens, door welken de Zoon des mensen verraden wordt; het ware hem goed, zo die mens niet geboren was geweest.

  10. Mattheüs 26:25ca. 33 n.Chr.

    En Judas, die Hem verried, antwoordde en zeide: Ben ik het, Rabbi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd.

  11. Mattheüs 26:26ca. 33 n.Chr.

    En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het den discipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.

  12. Mattheüs 26:27ca. 33 n.Chr.

    En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit;

  13. Mattheüs 26:28ca. 33 n.Chr.

    Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.

  14. Mattheüs 26:29ca. 33 n.Chr.

    En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer Ik met u dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Mijns Vaders.

  15. Mattheüs 26:30ca. 33 n.Chr.

    En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.

  16. Mattheüs 26:31ca. 33 n.Chr.

    Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij geergerd worden in deze nacht; want er is geschreven: Ik zal den Herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden.

  17. Mattheüs 26:32ca. 33 n.Chr.

    Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.

  18. Mattheüs 26:33ca. 33 n.Chr.

    Doch Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Al werden zij ook allen aan U geergerd, ik zal nimmermeer geergerd worden.

  19. Mattheüs 26:34ca. 33 n.Chr.

    Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.

  20. Mattheüs 26:35ca. 33 n.Chr.

    Petrus zeide tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen! Desgelijks zeiden ook al de discipelen.

  21. Mattheüs 26:36ca. 33 n.Chr.

    Toen ging Jezus met hen in een plaats genaamd Gethsemane, en zeide tot de discipelen: Zit hier neder, totdat Ik heenga, en aldaar zal gebeden hebben.

  22. Mattheüs 26:37ca. 33 n.Chr.

    En met Zich nemende Petrus, en de twee zonen van Zebedeus, begon Hij droevig en zeer beangst te worden.

  23. Mattheüs 26:38ca. 33 n.Chr.

    Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met Mij.

  24. Mattheüs 26:39ca. 33 n.Chr.

    En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan? doch niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.

  25. Mattheüs 26:40ca. 33 n.Chr.

    En Hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Kunt gij dan niet een uur met Mij waken?