circa 6 BC – AD 30
The Life of Jesus
The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.
Verzen uit dit tijdvak
- Mattheüs 26:66ca. 33 n.Chr.
Wat dunkt ulieden? En zij, antwoordende, zeiden: Hij is des doods schuldig.
- Mattheüs 26:67ca. 33 n.Chr.
Toen spogen zij in Zijn aangezicht, en sloegen Hem met vuisten.
- Mattheüs 26:68ca. 33 n.Chr.
En anderen gaven Hem kinnebakslagen, zeggende: Profeteer ons, Christus, wie is het, die U geslagen heeft?
- Mattheüs 26:69ca. 33 n.Chr.
En Petrus zat buiten in de zaal; en een dienstmaagd kwam tot hem, zeggende: Gij waart ook met Jezus, den Galileer.
- Mattheüs 26:70ca. 33 n.Chr.
Maar hij loochende het voor allen, zeggende: Ik weet niet, wat gij zegt.
- Mattheüs 26:71ca. 33 n.Chr.
En als hij naar de voorpoort uitging, zag hem een andere dienstmaagd, en zeide tot degenen, die aldaar waren: Deze was ook met Jezus den Nazarener.
- Mattheüs 26:72ca. 33 n.Chr.
En hij loochende het wederom met een eed, zeggende: Ik ken den Mens niet.
- Mattheüs 26:73ca. 33 n.Chr.
En een weinig daarna, die er stonden, bijkomende, zeiden tot Petrus: Waarlijk, gij zijt ook van die, want ook uw spraak maakt u openbaar.
- Mattheüs 26:74ca. 33 n.Chr.
Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken den Mens niet.
- Mattheüs 26:75ca. 33 n.Chr.
En terstond kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk.
- Mattheüs 27:1ca. 33 n.Chr.
Als het nu morgenstond geworden was, hebben al de overpriesters en de ouderlingen des volks te zamen raad genomen tegen Jezus, dat zij Hem doden zouden.
- Mattheüs 27:2ca. 33 n.Chr.
En Hem gebonden hebbende, leidden zij Hem weg, en gaven Hem over aan Pontius Pilatus, den stadhouder.
- Mattheüs 27:3ca. 33 n.Chr.
Toen heeft Judas, dien Hem verraden had, ziende, dat Hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen den overpriesters en den ouderlingen wedergebracht,
- Mattheüs 27:4ca. 33 n.Chr.
Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien.
- Mattheüs 27:5ca. 33 n.Chr.
En als hij de zilveren penningen in den tempel geworpen had, vertrok hij, en heengaande verworgde zichzelven.
- Mattheüs 27:6ca. 33 n.Chr.
En de overpriesters, de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd, dezelve in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des bloeds is.
- Mattheüs 27:7ca. 33 n.Chr.
En te zamen raad gehouden hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottenbakkers, tot een begrafenis voor de vreemdelingen.
- Mattheüs 27:8ca. 33 n.Chr.
Daarom is die akker genaamd de akker des bloeds, tot op den huidigen dag.
- Mattheüs 27:9ca. 33 n.Chr.
Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde des Gewaardeerden van de kinderen Israels, Denwelken zij gewaardeerd hebben;
- Mattheüs 27:10ca. 33 n.Chr.
En hebben dezelve gegeven voor den akker des pottenbakkers; volgens hetgeen mij de Heere bevolen heeft.
- Mattheüs 27:11ca. 33 n.Chr.
En Jezus stond voor den stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Jezus zeide tot hem: Gij zegt het.
- Mattheüs 27:12ca. 33 n.Chr.
En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.
- Mattheüs 27:13ca. 33 n.Chr.
Toen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet, hoevele zaken zij tegen U getuigen?
- Mattheüs 27:14ca. 33 n.Chr.
Maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, alzo dat de stadhouder zich zeer verwonderde.
- Mattheüs 27:15ca. 33 n.Chr.
En op het feest was de stadhouder gewoon den volke een gevangene los te laten, welke zij wilden.