circa 6 BC – AD 30
The Life of Jesus
The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.
Verzen uit dit tijdvak
- Mattheüs 27:16ca. 33 n.Chr.
En zij hadden toen een welbekende gevangene, genaamd Bar-abbas.
- Mattheüs 27:17ca. 33 n.Chr.
Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Welken wilt gij, dat ik u zal loslaten, Bar-abbas, of Jezus, Die genaamd wordt Christus?
- Mattheüs 27:18ca. 33 n.Chr.
Want hij wist, dat zij Hem door nijdigheid overgeleverd hadden.
- Mattheüs 27:19ca. 33 n.Chr.
En als hij op de rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met dien Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in den droom om Zijnentwil.
- Mattheüs 27:20ca. 33 n.Chr.
Maar de overpriesters en de ouderlingen hebben den scharen aangeraden, dat zij zouden Bar-abbas begeren, en Jezus doden.
- Mattheüs 27:21ca. 33 n.Chr.
En de stadhouder, antwoordende, zeide tot hen: Welke van deze twee wilt gij, dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Bar-abbas.
- Mattheüs 27:22ca. 33 n.Chr.
Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden.
- Mattheüs 27:23ca. 33 n.Chr.
Doch de stadhouder zeide: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden!
- Mattheüs 27:24ca. 33 n.Chr.
Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer dat er oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien.
- Mattheüs 27:25ca. 33 n.Chr.
En al het volk, antwoordende, zeide: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen.
- Mattheüs 27:26ca. 33 n.Chr.
Toen liet hij hun Bar-abbas los, maar Jezus gegeseld hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden.
- Mattheüs 27:27ca. 33 n.Chr.
Toen namen de krijgsknechten des stadhouders Jezus met zich in het rechthuis, en vergaderden over Hem de ganse bende.
- Mattheüs 27:28ca. 33 n.Chr.
En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om;
- Mattheüs 27:29ca. 33 n.Chr.
En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechter hand; en vallende op hun knieen voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden!
- Mattheüs 27:30ca. 33 n.Chr.
En op Hem gespogen hebbende, namen zij de rietstok en sloegen op Zijn hoofd.
- Mattheüs 27:31ca. 33 n.Chr.
En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den mantel af, en deden Hem Zijn klederen aan, en leidden Hem heen om te kruisigen.
- Mattheüs 27:32ca. 33 n.Chr.
En uitgaande, vonden zij een man van Cyrene, met name Simon; deze dwongen zij, dat hij Zijn kruis droeg.
- Mattheüs 27:33ca. 33 n.Chr.
En gekomen zijnde tot de plaats, genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats,
- Mattheüs 27:34ca. 33 n.Chr.
Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij dien gesmaakt had, wilde Hij niet drinken.
- Mattheüs 27:35ca. 33 n.Chr.
Toen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, het lot werpende; opdat vervuld zou worden, hetgeen gezegd is door den profeet: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over Mijn kleding geworpen.
- Mattheüs 27:36ca. 33 n.Chr.
En zij, nederzittende, bewaarden Hem aldaar.
- Mattheüs 27:37ca. 33 n.Chr.
En zij stelden boven Zijn hoofd Zijn beschuldiging geschreven: DEZE Is JEZUS, De KONING DER JODEN.
- Mattheüs 27:38ca. 33 n.Chr.
Toen werden met Hem twee moordenaars gekruisigd, een ter rechter-, en een ter linker zijde.
- Mattheüs 27:39ca. 33 n.Chr.
En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden,
- Mattheüs 27:40ca. 33 n.Chr.
En zeggende: Gij, Die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelven. Indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis.