Naar de inhoud

circa AD 48–96

Letters to the Churches

Paul and other apostles write to strengthen, correct, and encourage the scattered churches across the Roman world.

2,767 verzen · 21 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. 2 Korinthe 11:17ca. 60 n.Chr.

    Dat ik spreek, spreek ik niet naar den Heere, maar als in onwijsheid, in deze vasten grond der roeming.

  2. 2 Korinthe 11:18ca. 60 n.Chr.

    Dewijl velen roemen naar het vlees, zo zal ik ook roemen.

  3. 2 Korinthe 11:19ca. 60 n.Chr.

    Want gij verdraagt gaarne de onwijzen, dewijl gij wijs zijt.

  4. 2 Korinthe 11:20ca. 60 n.Chr.

    Want gij verdraagt het, zo u iemand dienstbaar maakt, zo u iemand opeet, zo iemand van u neemt, zo zich iemand verheft, zo u iemand in het aangezicht slaat.

  5. 2 Korinthe 11:21ca. 60 n.Chr.

    Ik zeg dit naar oneer, gelijk of wij zwak waren geweest; maar waarin iemand stout is (ik spreek in onwijsheid), daarin ben ik ook stout.

  6. 2 Korinthe 11:22ca. 60 n.Chr.

    Zijn zij Hebreen? Ik ook. Zijn zij Israelieten? Ik ook. Zijn zij het zaad van Abraham? Ik ook.

  7. 2 Korinthe 11:23ca. 60 n.Chr.

    Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doods gevaar menigmaal.

  8. 2 Korinthe 11:24ca. 60 n.Chr.

    Van de Joden heb ik veertig slagen min een, vijfmaal ontvangen.

  9. 2 Korinthe 11:25ca. 60 n.Chr.

    Driemaal ben ik met roeden gegeseld geweest, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een gansen nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht.

  10. 2 Korinthe 11:26ca. 60 n.Chr.

    In het reizen menigmaal in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de valse broeders;

  11. 2 Korinthe 11:27ca. 60 n.Chr.

    In arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid.

  12. 2 Korinthe 11:28ca. 60 n.Chr.

    Zonder de dingen, die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks de zorg van al de Gemeenten.

  13. 2 Korinthe 11:29ca. 60 n.Chr.

    Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt er geergerd, dat ik niet brande?

  14. 2 Korinthe 11:30ca. 60 n.Chr.

    Indien men moet roemen, zo zal ik roemen de dingen mijner zwakheid.

  15. 2 Korinthe 11:31ca. 60 n.Chr.

    De God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die geprezen is in der eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg.

  16. 2 Korinthe 11:32ca. 60 n.Chr.

    De stadhouder van den koning Aretas in Damaskus, bezette de stad der Damaskenen, willende mij vangen;

  17. 2 Korinthe 11:33ca. 60 n.Chr.

    En ik werd door een venster in een mand over den muur nedergelaten, en ontvlood zijn handen.

  18. 2 Korinthe 12:1ca. 60 n.Chr.

    Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar; want ik zal komen tot gezichten en openbaringen des Heeren.

  19. 2 Korinthe 12:2ca. 60 n.Chr.

    Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in den derden hemel;

  20. 2 Korinthe 12:3ca. 60 n.Chr.

    En ik ken een zodanig mens (of het in het lichaam, of buiten het lichaam geschied zij, weet ik niet, God weet het),

  21. 2 Korinthe 12:4ca. 60 n.Chr.

    Dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken.

  22. 2 Korinthe 12:5ca. 60 n.Chr.

    Van den zodanige zal ik roemen, doch van mijzelven zal ik niet roemen, dan in mijn zwakheden.

  23. 2 Korinthe 12:6ca. 60 n.Chr.

    Want zo ik roemen wil, ik zal niet onwijs zijn, want ik zal de waarheid zeggen; maar ik houde daarvan af, opdat niemand van mij denke boven hetgeen hij ziet, dat ik ben, of dat hij uit mij hoort.

  24. 2 Korinthe 12:7ca. 60 n.Chr.

    En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen.

  25. 2 Korinthe 12:8ca. 60 n.Chr.

    Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken.