- English
- King James KJV
- Complete Jewish CJB
- World English WEBM
- Berean Standard BSB
- American Standard ASV
- Geneva GNV
- Young's Literal YLT
- Douay-Rheims DRC
- International
- Shqip ALB
- العربية SVD
- বাংলা BN-IRV
- မြန်မာ Judson
- 简体文 CUV-S
- 繁體中文 CUV-T
- Čeština BKR
- Nederlands STVE
- Français LSG
- Deutsch SCH
- Ελληνικά Vamvas
- ગુજરાતી GU-IRV
- Hausa HCB
- עברית Hebrew
- हिन्दी HCV
- Magyar KAROLI
- Bahasa Indonesia INDO-TB
- Italiano Diodati
- 日本語 Kougo
- 한국어 Korean
- മലയാളം MAL
- मराठी MRCV
- Norsk DNB
- فارسی OPV
- Polski BG
- Português Almeida
- Română Cornilescu
- Русский Synodal
- Español RVG
- Kiswahili Neno
- Svenska SV1917
- Tagalog TAG-ADB
- தமிழ் TCV
- తెలుగు TSA
- ภาษาไทย THAI-KJV
- Українська Ohienko
- Tiếng Việt CADMAN
- Yorùbá YCB
circa 1900–1700 BC
Jacob, Joseph & Egypt
Jacob wrestles with God and becomes Israel; Joseph is sold into slavery yet rises to save the world from famine.
Verzen uit dit tijdvak
- Genesis 46:7ca. 1706 v.Chr.
Zijn zonen, en de zonen zijner zonen met hem; zijn dochteren, en zijner zonen dochteren, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte.
- Genesis 46:8ca. 1706 v.Chr.
En dit zijn de namen der zonen van Israel, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben.
- Genesis 46:9ca. 1706 v.Chr.
En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi.
- Genesis 46:10ca. 1706 v.Chr.
En de zonen van Simeon: Jemuel, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zoar, en Saul, de zoon ener Kanaanietische vrouw.
- Genesis 46:11ca. 1706 v.Chr.
En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.
- Genesis 46:12ca. 1706 v.Chr.
En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaan; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
- Genesis 46:13ca. 1706 v.Chr.
En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.
- Genesis 46:14ca. 1706 v.Chr.
En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleel.
- Genesis 46:15ca. 1706 v.Chr.
Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-Aram, met Dina zijn dochter; al de zielen zijner zonen en zijner dochteren waren drie en dertig.
- Genesis 46:16ca. 1706 v.Chr.
En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Arodi, en Areli.
- Genesis 46:17ca. 1706 v.Chr.
En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiel.
- Genesis 46:18ca. 1706 v.Chr.
Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had; en zij baarde Jakob deze zestien zielen.
- Genesis 46:19ca. 1706 v.Chr.
De zonen van Rachel, Jakobs huisvrouw: Jozef en Benjamin.
- Genesis 46:20ca. 1706 v.Chr.
En Jozef werden geboren in Egypteland, Manasse en Efraim, die hem Asnath, de dochter van Potifera, den overste te On, baarde.
- Genesis 46:21ca. 1706 v.Chr.
En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naaman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard.
- Genesis 46:22ca. 1706 v.Chr.
Dit zijn de zonen van Rachel, die Jakob geboren zijn, al te zamen veertien zielen.
- Genesis 46:23ca. 1706 v.Chr.
En de zonen van Dan: Chusim.
- Genesis 46:24ca. 1706 v.Chr.
En de zonen van Nafthali: Jahzeel, en Guni, en Jezer, en Sillem.
- Genesis 46:25ca. 1706 v.Chr.
Dit zijn de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel gegeven had; en zij baarde dezelve Jakob, zij waren allen zeven zielen.
- Genesis 46:26ca. 1706 v.Chr.
Al de zielen, die met Jakob in Egypte kwamen, uit zijn heup gesproten, uitgenomen de vrouwen van de zonen van Jakob, waren allen zes en zestig zielen.
- Genesis 46:27ca. 1706 v.Chr.
En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen. Al de zielen van het huis van Jakob, die in Egypte kwamen, waren zeventig.
- Genesis 46:28ca. 1706 v.Chr.
En hij zond Juda voor zijn aangezicht heen tot Jozef, om voor zijn aangezicht aanwijzing te doen naar Gosen; en zij kwamen in het land Gosen.
- Genesis 46:29ca. 1706 v.Chr.
Toen spande Jozef zijn wagen aan, en toog op, zijn vader Israel tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zo viel hij hem aan zijn hals, en weende lang aan zijn hals.
- Genesis 46:30ca. 1706 v.Chr.
En Israel zeide tot Jozef: Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft!
- Genesis 46:31ca. 1706 v.Chr.
Daarna zeide Jozef tot zijn broederen, en tot zijns vaders huis: Ik zal optrekken en Farao boodschappen, en tot hem zeggen: Mijn broeders en het huis mijns vaders, die in het land Kanaan waren, zijn tot mij gekomen.