Naar de inhoud

circa 1900–1700 BC

Jacob, Joseph & Egypt

Jacob wrestles with God and becomes Israel; Joseph is sold into slavery yet rises to save the world from famine.

840 verzen · 1 boek behandeld

Verzen uit dit tijdvak

  1. Genesis 46:7ca. 1706 v.Chr.

    Zijn zonen, en de zonen zijner zonen met hem; zijn dochteren, en zijner zonen dochteren, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte.

  2. Genesis 46:8ca. 1706 v.Chr.

    En dit zijn de namen der zonen van Israel, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben.

  3. Genesis 46:9ca. 1706 v.Chr.

    En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi.

  4. Genesis 46:10ca. 1706 v.Chr.

    En de zonen van Simeon: Jemuel, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zoar, en Saul, de zoon ener Kanaanietische vrouw.

  5. Genesis 46:11ca. 1706 v.Chr.

    En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.

  6. Genesis 46:12ca. 1706 v.Chr.

    En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaan; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.

  7. Genesis 46:13ca. 1706 v.Chr.

    En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.

  8. Genesis 46:14ca. 1706 v.Chr.

    En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleel.

  9. Genesis 46:15ca. 1706 v.Chr.

    Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-Aram, met Dina zijn dochter; al de zielen zijner zonen en zijner dochteren waren drie en dertig.

  10. Genesis 46:16ca. 1706 v.Chr.

    En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Arodi, en Areli.

  11. Genesis 46:17ca. 1706 v.Chr.

    En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiel.

  12. Genesis 46:18ca. 1706 v.Chr.

    Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had; en zij baarde Jakob deze zestien zielen.

  13. Genesis 46:19ca. 1706 v.Chr.

    De zonen van Rachel, Jakobs huisvrouw: Jozef en Benjamin.

  14. Genesis 46:20ca. 1706 v.Chr.

    En Jozef werden geboren in Egypteland, Manasse en Efraim, die hem Asnath, de dochter van Potifera, den overste te On, baarde.

  15. Genesis 46:21ca. 1706 v.Chr.

    En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naaman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard.

  16. Genesis 46:22ca. 1706 v.Chr.

    Dit zijn de zonen van Rachel, die Jakob geboren zijn, al te zamen veertien zielen.

  17. Genesis 46:23ca. 1706 v.Chr.

    En de zonen van Dan: Chusim.

  18. Genesis 46:24ca. 1706 v.Chr.

    En de zonen van Nafthali: Jahzeel, en Guni, en Jezer, en Sillem.

  19. Genesis 46:25ca. 1706 v.Chr.

    Dit zijn de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel gegeven had; en zij baarde dezelve Jakob, zij waren allen zeven zielen.

  20. Genesis 46:26ca. 1706 v.Chr.

    Al de zielen, die met Jakob in Egypte kwamen, uit zijn heup gesproten, uitgenomen de vrouwen van de zonen van Jakob, waren allen zes en zestig zielen.

  21. Genesis 46:27ca. 1706 v.Chr.

    En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen. Al de zielen van het huis van Jakob, die in Egypte kwamen, waren zeventig.

  22. Genesis 46:28ca. 1706 v.Chr.

    En hij zond Juda voor zijn aangezicht heen tot Jozef, om voor zijn aangezicht aanwijzing te doen naar Gosen; en zij kwamen in het land Gosen.

  23. Genesis 46:29ca. 1706 v.Chr.

    Toen spande Jozef zijn wagen aan, en toog op, zijn vader Israel tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zo viel hij hem aan zijn hals, en weende lang aan zijn hals.

  24. Genesis 46:30ca. 1706 v.Chr.

    En Israel zeide tot Jozef: Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft!

  25. Genesis 46:31ca. 1706 v.Chr.

    Daarna zeide Jozef tot zijn broederen, en tot zijns vaders huis: Ik zal optrekken en Farao boodschappen, en tot hem zeggen: Mijn broeders en het huis mijns vaders, die in het land Kanaan waren, zijn tot mij gekomen.