Naar de inhoud

circa 1900–1700 BC

Jacob, Joseph & Egypt

Jacob wrestles with God and becomes Israel; Joseph is sold into slavery yet rises to save the world from famine.

840 verzen · 1 boek behandeld

Verzen uit dit tijdvak

  1. Genesis 31:45ca. 1739 v.Chr.

    Toen nam Jakob een steen, en hij verhoogde die, tot een opgericht teken.

  2. Genesis 31:46ca. 1739 v.Chr.

    En Jakob zeide tot zijn broederen: Vergadert stenen! En zij namen stenen, en maakten een hoop; en zij aten aldaar op dien hoop.

  3. Genesis 31:47ca. 1739 v.Chr.

    En Laban noemde hem Jegar-Sahadutha; maar Jakob noemde denzelven Gilead.

  4. Genesis 31:48ca. 1739 v.Chr.

    Toen zeide Laban: Deze hoop zij heden een getuige tussen mij en tussen u! Daarom noemde men zijn naam Gilead,

  5. Genesis 31:49ca. 1739 v.Chr.

    En Mizpa; omdat hij zeide: Dat de HEERE opzicht neme tussen mij en tussen u, wanneer wij de een van den ander zullen verborgen zijn!

  6. Genesis 31:50ca. 1739 v.Chr.

    Zo gij mijn dochteren beledigt, en zo gij vrouwen neemt boven mijn dochteren, niemand is bij ons; zie toe, God zal getuige zijn tussen mij en tussen u!

  7. Genesis 31:51ca. 1739 v.Chr.

    Laban zeide voorts tot Jakob: Zie, daar is deze zelfde hoop, en zie, daar is dit opgericht teken, hetwelk ik opgeworpen heb tussen mij en tussen u;

  8. Genesis 31:52ca. 1739 v.Chr.

    Deze zelfde hoop zij getuige, en dit opgericht teken zij getuige, dat ik tot u voorbij deze hoop niet komen zal, en dat gij tot mij, voorbij deze hoop en dit opgericht teken, niet komen zult ten kwade!

  9. Genesis 31:53ca. 1739 v.Chr.

    De God van Abraham, en de God van Nahor, de God huns vaders richte tussen ons! En Jakob zwoer bij de Vreze zijn vaders Izaks.

  10. Genesis 31:54ca. 1739 v.Chr.

    Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broederen, om brood te eten; en zij aten brood, en vernachtten op dat gebergte.

  11. Genesis 31:55ca. 1739 v.Chr.

    En Laban stond des morgens vroeg op, en kuste zijn zonen, en zijn dochteren, en zegende hen; en Laban trok heen, en keerde weder tot zijn plaats.

  12. Genesis 32:1ca. 1739 v.Chr.

    Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen Gods ontmoetten hem.

  13. Genesis 32:2ca. 1739 v.Chr.

    En Jakob zeide, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde den naam derzelver plaats Mahanaim.

  14. Genesis 32:3ca. 1739 v.Chr.

    En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broeder, naar het land Seir, de landstreek van Edom.

  15. Genesis 32:4ca. 1739 v.Chr.

    En hij gebood hun, zeggende: Zo zult gij zeggen tot mijn heer, tot Ezau: Zo zegt Jakob, uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd;

  16. Genesis 32:5ca. 1739 v.Chr.

    En ik heb ossen en ezelen, schapen en knechten en maagden; en ik heb gezonden om mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uw ogen.

  17. Genesis 32:6ca. 1739 v.Chr.

    En de boden kwamen weder tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uw broeder, tot Ezau; en ook trekt hij u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem.

  18. Genesis 32:7ca. 1739 v.Chr.

    Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange; en hij verdeelde het volk, dat met hem was, en de schapen, en de runderen, en de kemels, in twee heiren;

  19. Genesis 32:8ca. 1739 v.Chr.

    Want hij zeide: Indien Ezau op het ene heir komt, en slaat het, zo zal het overgeblevene heir ontkomen.

  20. Genesis 32:9ca. 1739 v.Chr.

    Voorts zeide Jakob: O, God mijns vaders Abrahams, en God mijns vaders Izaks, o HEERE! Die tot mij gezegd hebt: Keer weder tot uw land, en tot uw maagschap, en Ik zal wel bij u doen!

  21. Genesis 32:10ca. 1739 v.Chr.

    Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden!

  22. Genesis 32:11ca. 1739 v.Chr.

    Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Ezau's hand; want ik vreze hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla, de moeder met de zonen!

  23. Genesis 32:12ca. 1739 v.Chr.

    Gij hebt immers gezegd: Ik zal gewisselijk bij u weldoen, en Ik zal uw zaad stellen als het zand der zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!

  24. Genesis 32:13ca. 1739 v.Chr.

    En hij vernachtte aldaar dienzelfden nacht; en hij nam van hetgeen, dat hem in zijn hand kwam, een geschenk voor Ezau zijn broeder;

  25. Genesis 32:14ca. 1739 v.Chr.

    Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen;