Naar de inhoud

circa 1900–1700 BC

Jacob, Joseph & Egypt

Jacob wrestles with God and becomes Israel; Joseph is sold into slavery yet rises to save the world from famine.

840 verzen · 1 boek behandeld

Verzen uit dit tijdvak

  1. Genesis 30:38ca. 1745 v.Chr.

    En hij legde deze roeden, die hij geschild had, in de goten, en in de drinkbakken van het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en zij werden verhit, als zij kwamen om te drinken.

  2. Genesis 30:39ca. 1745 v.Chr.

    Als dan de kudde verhit werd bij de roeden, zo lammerde de kudde gesprenkelde, gespikkelde, en geplekte.

  3. Genesis 30:40ca. 1745 v.Chr.

    Toen scheidde Jakob de lammeren, en hij wendde het gezicht der kudde op het gesprenkelde, en al het bruine onder Labans kudde; en hij stelde zijn kudden alleen, en hij zette ze niet bij de kudde van Laban.

  4. Genesis 30:41ca. 1745 v.Chr.

    En het geschiedde, telkens als de kudde der vroegelingen verhit werd, zo stelde Jakob de roeden voor de ogen der kudde in de goten, opdat zij hittig werden bij de roeden.

  5. Genesis 30:42ca. 1745 v.Chr.

    Maar als de kudde spade hittig werd, zo stelde hij ze niet, zodat de spadelingen Laban, en de vroegelingen Jakob toekwamen.

  6. Genesis 30:43ca. 1745 v.Chr.

    En die man brak gans zeer uit in menigte, en hij had vele kudden, en dienstmaagden, en dienstknechten, en kemelen, en ezelen.

  7. Genesis 31:1ca. 1739 v.Chr.

    Toen hoorde hij de woorden der zonen van Laban, zeggende: Jakob heeft genomen alles, wat onzes vaders was, en van hetgeen, dat onzes vaders was, heeft hij al deze heerlijkheid gemaakt.

  8. Genesis 31:2ca. 1739 v.Chr.

    Jakob zag ook het aangezicht van Laban aan, en ziet, het was jegens hem niet als gisteren en eergisteren.

  9. Genesis 31:3ca. 1739 v.Chr.

    En de HEERE zeide tot Jakob: Keer weder tot het land uwer vaderen, en tot uw maagschap, en Ik zal met u zijn.

  10. Genesis 31:4ca. 1739 v.Chr.

    Toen zond Jakob heen, en riep Rachel en Lea, op het veld tot zijn kudde;

  11. Genesis 31:5ca. 1739 v.Chr.

    En hij zeide tot haar: Ik zie het aangezicht uws vaders, dat het jegens mij niet is als gisteren en eergisteren; doch de God mijns vaders is bij mij geweest.

  12. Genesis 31:6ca. 1739 v.Chr.

    En gijlieden weet, dat ik met al mijn macht uw vader gediend heb.

  13. Genesis 31:7ca. 1739 v.Chr.

    Maar uw vader heeft bedriegelijk met mij gehandeld, en heeft mijn loon tien malen veranderd; doch God heeft hem niet toegelaten, om mij kwaad te doen.

  14. Genesis 31:8ca. 1739 v.Chr.

    Wanneer hij aldus zeide: De gespikkelde zullen uw loon zijn, zo lammerden al de kudden gespikkelde; en wanneer hij alzo zeide: De gesprenkelde zullen uw loon zijn, zo lammerden al de kudden gesprenkelde.

  15. Genesis 31:9ca. 1739 v.Chr.

    Alzo heeft God uw vader het vee ontrukt, en aan mij gegeven.

  16. Genesis 31:10ca. 1739 v.Chr.

    En het geschiedde ten tijde, als de kudde hittig werd, dat ik mijn ogen ophief, en ik zag in den droom; en ziet, de bokken, die de kudden beklommen, waren gesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig.

  17. Genesis 31:11ca. 1739 v.Chr.

    En de Engel Gods zeide tot mij in de droom: Jakob! En ik zeide: Zie, hier ben ik!

  18. Genesis 31:12ca. 1739 v.Chr.

    En Hij zeide: Hef toch uw ogen op, en zie! alle bokken, die de kudde beklimmen, zijn gesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig; want Ik heb gezien alles, wat Laban u doet.

  19. Genesis 31:13ca. 1739 v.Chr.

    Ik ben die God van Beth-El, alwaar gij het opgerichte teken gezalfd hebt, waar gij Mij een gelofte beloofd hebt; nu, maak u op, vertrek uit dit land, en keer weder in het land uwer maagschap.

  20. Genesis 31:14ca. 1739 v.Chr.

    Toen antwoordden Rachel en Lea, en zeiden tot hem: Is er nog voor ons een deel of erfenis, in het huis onzes vaders?

  21. Genesis 31:15ca. 1739 v.Chr.

    Zijn wij niet vreemden van hem geacht? Want hij heeft ons verkocht, en hij heeft ook steeds ons geld verteerd.

  22. Genesis 31:16ca. 1739 v.Chr.

    Want al de rijkdom, welke God onze vader heeft ontrukt, die is onze, en van onze zonen; nu dan, doe alles, wat God tot u gezegd heeft.

  23. Genesis 31:17ca. 1739 v.Chr.

    Toen maakte zich Jakob op, en laadde zijn zonen en zijn vrouwen op kemelen.

  24. Genesis 31:18ca. 1739 v.Chr.

    En hij voerde al zijn vee weg, en al zijn have, die hij gewonnen had, het vee, dat hij bezat, hetwelk hij in Paddan-Aram geworven had, om te komen tot Izak, zijn vader, naar het land Kanaan.

  25. Genesis 31:19ca. 1739 v.Chr.

    Laban nu was gegaan, om zijn schapen te scheren; zo stal Rachel de terafim, die haar vader had.