Skip to content

Bijbelverzen over Wicked

724 verzen · 18 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Want met zijn voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen.

  2. De strik zal hem bij de verzenen vatten; de struikrover zal hem overweldigen.

  3. Zijn touw is in de aarde verborgen, en zijn val op het pad.

  4. De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten.

  5. Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde.

  6. De eerstgeborene des doods zal de grendelen zijner huid verteren, zijn grendelen zal hij verteren.

  7. Zijn vertrouwen zal uit zijn tent uitgerukt worden; zulks zal hem doen treden tot den koning der verschrikkingen.

  8. Zij zal wonen in zijn tent, waar zij de zijne niet is; zijn woning zal met zwavel overstrooid worden.

  9. Van onder zullen zijn wortelen verdorren, en van boven zal zijn tak afgesneden worden.

  10. Zijn gedachtenis zal vergaan van de aarde, en hij zal geen naam hebben op de straten.

  11. Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen.

  12. Hij zal geen zoon, noch neef hebben onder zijn volk; en niemand zal in zijn woningen overig zijn.

  13. Over zijn dag zullen de nakomelingen verbaasd zijn, en de ouden met schrik bevangen worden.

  14. Gewisselijk, zodanige zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats desgenen die God niet kent.

  15. Dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een ogenblik?

  16. Wanneer zijn hoogheid tot den hemel toe opklomme, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte;

  17. Zal hij, gelijk zijn drek, in eeuwigheid vergaan; die hem gezien hadden, zullen zeggen: Waar is hij?

  18. Hij zal wegvlieden als een droom, dat men hem niet vinden zal, en hij zal verjaagd worden als een gezicht des nachts.

  19. Het oog, dat hem zag, zal het niet meer doen; en zijn plaats zal hem niet meer aanschouwen.

  20. Zijn kinderen zullen zoeken den armen te behagen; en zijn handen zullen zijn vermogen moeten weder uitkeren.

  21. Zijn beenderen zullen vol van zijn verborgene zonden zijn; van welke elkeen met hem op het stof nederliggen zal.

  22. Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,

  23. Hij dat spaart, en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt;

  24. Zijn spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.

  25. Hij heeft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen; God zal het uit zijn buik uitdrijven.