Skip to content

Bijbelverzen over Wicked: Prosperity of

60 verzen · 18 aspecten

Verzen over Prosperity of

Filter op boek
  1. Ik heb gezien een dwaas wortelende; doch terstond vervloekte ik zijn woning.

  2. Verre waren zijn zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poort, en er was geen verlosser.

  3. Wiens oogst de hongerige verteerde, dien hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struikrover slokte hun vermogen in.

  4. De tenten der verwoesters hebben rust, en die Gode tergen, hebben verzekerdheden, om hetgene God met Zijn hand toebrengt.

  5. Het geluid der verschrikkingen is in zijn oren; in den vrede zelven komt de verwoester hem over.

  6. Hij zwerft heen en weder om brood, waar het zijn mag; hij weet, dat bij zijn hand gereed is de dag der duisternis.

  7. Omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om de weekdarmen;

  8. Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde.

  9. Dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een ogenblik?

  10. Als zijn genoegzaamheid zal vol zijn, zal hem bang zijn; alle hand des ellendigen zal over hem komen.

  11. Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen?

  12. Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun spruiten zijn voor hun ogen.

  13. Hun huizen hebben vrede zonder vreze, en de roede Gods is op hen niet.

  14. Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet.

  15. Hun jonge kinderen zenden zij uit als een kudde, en hun kinderen huppelen.

  16. Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels.

  17. In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.

  18. Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.

  19. Resch. Ik heb gezien een gewelddrijvende goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom.

  20. Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.

  21. Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien.

  22. Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten.

  23. Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.

  24. De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan.

  25. Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela.