Skip to content

Bijbelverzen over Oath

85 verzen · 2 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Want Herodes had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden, en in den kerker gezet, om Herodias' wil, de huisvrouw van Filippus, zijn broeder.

  2. Want Johannes zeide tot hem: Het is u niet geoorloofd haar te hebben.

  3. En willende hem doden, vreesde hij het volk, omdat zij hem hielden voor een profeet.

  4. Maar als de dag der geboorte van Herodes gehouden werd, danste de dochter van Herodias in het midden van hen, en zij behaagde aan Herodes.

  5. Waarom hij haar met ede beloofde te geven, wat zij ook eisen zou.

  6. En zij, te voren onderricht zijnde van haar moeder, zeide: Geef mij hier in een schotel het hoofd van Johannes den Doper.

  7. En de koning werd bedroefd; doch om de eden, en degenen, die met hem aanzaten, gebood hij, dat het haar zou gegeven worden;

  8. En zond heen, en onthoofdde Johannes in den kerker.

  9. En zijn hoofd werd gebracht in een schotel, en het dochtertje gegeven; en zij droeg het tot haar moeder.

  10. En zijn discipelen kwamen, en namen het lichaam weg, en begroeven hetzelve; en gingen en boodschapten het Jezus.

  11. En zo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij de gave, die daarop is, die is schuldig.

  12. Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt?

  13. Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve, en bij al wat daarop is.

  14. En wie zweert bij den tempel, die zweert bij denzelven, en bij Dien, Die daarin woont.

  15. En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods, en bij Dien, Die daarop zit.

  16. Doch Jezus zweeg stil. En de hogepriester, antwoordende, zeide tot Hem: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God?

  17. En de koning, zeer bedroefd geworden zijnde, nochtans om de eden, en degenen, die mede aanzaten, wilde hij haar hetzelve niet afslaan.

  18. En aan den eed, dien Hij Abraham, onzen vader, gezworen heeft, om ons te geven,

  19. En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden een samenrotting, en vervloekten zichzelven, zeggende, dat zij noch eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden gedood hebben.

  20. En zij waren meer dan veertig, die dezen eed te zamen gedaan hadden;

  21. Dewelke gingen tot de overpriesters en de ouderlingen, en zeiden: Wij hebben ons zelven met vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen, totdat wij Paulus zullen gedood hebben.

  22. Doch ik aanroepe God tot een Getuige over mijn ziel, dat ik, om u te sparen, nog te Korinthe niet ben gekomen.

  23. Hetgeen nu ik u schrijf, ziet, ik getuig voor God, dat ik niet lieg!

  24. Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn; Indien zij in Mijn rust zullen ingaan!

  25. En welken heeft Hij gezworen, dat zij in Zijn rust niet zouden ingaan, anders dan dengenen, die ongehoorzaam geweest waren?