Naar de inhoud

circa 1446–1406 BC

The Wilderness Years

Forty years of wandering in the desert test Israel's faith and prepare a new generation to enter the promised land.

2,247 verzen · 2 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Numeri 10:17ca. 1490 v.Chr.

    Toen werd de tabernakel afgenomen, en de zonen van Gerson, en de zonen van Merari togen op, dragende den tabernakel.

  2. Numeri 10:18ca. 1490 v.Chr.

    Daarna toog de banier van het leger van Ruben, naar hun heiren; en over zijn heir was Elizur, de zoon van Sedeur.

  3. Numeri 10:19ca. 1490 v.Chr.

    En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel, de zoon van Zurisaddai.

  4. Numeri 10:20ca. 1490 v.Chr.

    En over het heir van den stam der kinderen van Gad was Eljasaf, de zoon van Dehuel.

  5. Numeri 10:21ca. 1490 v.Chr.

    Toen togen op de Kohathieten, dragende het heiligdom; en de anderen richtten den tabernakel op, tegen dat dezen kwamen.

  6. Numeri 10:22ca. 1490 v.Chr.

    Daarna toog op de banier van het leger der kinderen van Efraim, naar hun heiren; en over het heir was Elisama, de zoon van Ammihud.

  7. Numeri 10:23ca. 1490 v.Chr.

    En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel, de zoon van Pedazur.

  8. Numeri 10:24ca. 1490 v.Chr.

    En over het heir van den stam der kinderen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.

  9. Numeri 10:25ca. 1490 v.Chr.

    Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn heir was Ahiezer de zoon van Ammisaddai.

  10. Numeri 10:26ca. 1490 v.Chr.

    En over het heir van den stam der kinderen van Aser was Pagiel, de zoon van Ochran.

  11. Numeri 10:27ca. 1490 v.Chr.

    En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.

  12. Numeri 10:28ca. 1490 v.Chr.

    Dit waren de tochten der kinderen Israels, naar hun heiren, als zij reisden.

  13. Numeri 10:29ca. 1490 v.Chr.

    Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuel, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israel het goede gesproken.

  14. Numeri 10:30ca. 1490 v.Chr.

    Doch hij zeide tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land en naar mijn maagschap gaan.

  15. Numeri 10:31ca. 1490 v.Chr.

    En hij zeide: Verlaat ons toch niet; want dewijl gij weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult gij ons tot ogen zijn.

  16. Numeri 10:32ca. 1490 v.Chr.

    En het zal geschieden, als gij met ons zult gaan, en het goede geschieden zal, waarmede de HEERE bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen.

  17. Numeri 10:33ca. 1490 v.Chr.

    Zo togen zij drie dagreizen van den berg des HEEREN; en de ark des verbonds des HEEREN reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren.

  18. Numeri 10:34ca. 1490 v.Chr.

    En de wolk des HEEREN was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden.

  19. Numeri 10:35ca. 1490 v.Chr.

    Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vlieden!

  20. Numeri 10:36ca. 1490 v.Chr.

    En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, HEERE! tot de tien duizenden der duizenden van Israel!

  21. Numeri 11:1ca. 1490 v.Chr.

    En het geschiedde, als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de oren des HEEREN; want de HEERE hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak, en het vuur des HEEREN onder hen ontbrandde, en verteerde, in het uiterste des legers.

  22. Numeri 11:2ca. 1490 v.Chr.

    Toen riep het volk tot Mozes; en Mozes bad tot den HEERE; en het vuur werd gedempt.

  23. Numeri 11:3ca. 1490 v.Chr.

    Daarom noemde hij den naam dier plaats Thab-era, omdat het vuur des HEEREN onder hen gebrand had.

  24. Numeri 11:4ca. 1490 v.Chr.

    En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen Israels wederom, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?

  25. Numeri 11:5ca. 1490 v.Chr.

    Wij gedenken aan de vissen, die wij in Egypte om niet aten; aan de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look, en aan de ajuinen, en aan het knoflook.