Naar de inhoud

Bijbelverzen over Afflictions and Adversities

526 verzen · 5 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.

  2. Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt.

  3. Hoe dikwijls geschiedt het, dat de lamp der goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn!

  4. Doch Hij kent den weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.

  5. Want God heeft mijn hart week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd;

  6. Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan!

  7. Verkoos ik hun weg, zo zat ik bovenaan, en woonde als een koning onder de benden, als een, die treurigen vertroost.

  8. Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen.

  9. Zo ik iemand heb zien omkomen, omdat hij zonder kleding was, en dat de nooddruftige geen deksel had;

  10. Zo zijn lenden mij niet gezegend hebben, toen hij van de vellen mijner lammeren verwarmd werd;

  11. Zo ik mijn hand tegen den wees bewogen heb, omdat ik in de poort mijn hulp zag;

  12. Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af!

  13. Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zowel voor een volk, als voor een mens alleen?

  14. Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, Die de psalmen geeft in den nacht?

  15. En Hij Zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordelen in rechtmatigheden.

  16. En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid.

  17. Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar.

  18. Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?

  19. Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.

  20. Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen.

  21. Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.

  22. Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten! en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.

  23. Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.

  24. Gimel. Maakt den HEERE met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen.

  25. Koph. De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest.