Naar de inhoud

Bijbelverzen over Afflictions and Adversities

526 verzen · 5 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. In den honger zal Hij u verlossen van den dood, en in den oorlog van het geweld des zwaards.

  2. Tegen den gesel der tong zult gij verborgen wezen, en gij zult niet vrezen voor de verwoesting, als zij komt.

  3. Tegen de verwoesting en tegen den honger zult gij lachen, en voor het gedierte der aarde zult gij niet vrezen.

  4. Want met de stenen des velds zal uw verbond zijn, en het gedierte des velds zal met u bevredigd zijn.

  5. En gij zult bevinden, dat uw tent in vrede is; en gij zult uw woning verzorgen, en zult niet feilen.

  6. Ook zult gij bevinden, dat uw zaad menigvuldig wezen zal, en uw spruiten als het kruid der aarde.

  7. Gij zult in ouderdom ten grave komen, gelijk de korenhoop te zijner tijd opgevoerd wordt.

  8. Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.

  9. Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.

  10. Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?

  11. Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft.

  12. Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.

  13. Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.

  14. Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?

  15. Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.

  16. Ben ik oprecht, zo acht ik toch mijn ziel niet; ik versmaad mijn leven.

  17. Dat is een ding, daarom zeg ik: Den oprechte en den goddeloze verdoet Hij.

  18. Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.

  19. De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan?

  20. En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien.

  21. Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een arend naar het aas toevliegt.

  22. Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken;

  23. Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.

  24. Ik zal toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden?

  25. Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep;