Naar de inhoud

Bijbelverzen over Afflictions and Adversities

526 verzen · 5 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. En Mijn volk, over dewelken Mijn Naam genoemd wordt, zich verootmoedigt en bidt, en zij Mijn aangezicht zoeken, en zich bekeren van hun boze wegen; zo zal Ik uit den hemel horen, en hun zonden vergeven, en hun land genezen.

  2. Nu zullen Mijn ogen open zijn, en Mijn oren opmerkende op het gebed dezer plaats.

  3. Want Ik heb nu dit huis verkoren en geheiligd, opdat Mijn Naam daar zij tot in eeuwigheid en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar te allen dage zijn.

  4. En u aangaande, zo gij voor Mijn aangezicht wandelen zult, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, en doen naar alles, wat Ik u geboden heb, en Mijn inzettingen en Mijn rechten houden zult;

  5. Zo zal Ik den troon uws koninkrijks bevestigen, gelijk als Ik een verbond met uw vader David gemaakt heb, zeggende: Geen man zal u afgesneden worden, die in Israel heerse.

  6. Maar zo gijlieden u afkeren zult, en Mijn inzettingen en Mijn geboden, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb, verlaten, en heengaan, en andere goden dienen, en u voor die nederbuigen zult;

  7. Zo zal Ik hen uitrukken uit Mijn land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, dat Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen, en zal het tot een spreekwoord en spotrede onder alle volken maken.

  8. En dit huis, dat verheven zal geweest zijn, daarover zal zich een ieder, die voorbijgaat, ontzetten, dat hij zal zeggen: Waarom heeft de HEERE aan dit land en aan dit huis alzo gedaan?

  9. En men zal zeggen: Omdat zij den HEERE, hunner vaderen God, verlaten hebben, Die hen uit Egypteland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere goden gehouden, en zich voor dezelve nedergebogen, en hen gediend; daarom heeft Hij al dat kwaad over hen gebracht.

  10. En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!

  11. Maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd.

  12. Want uit het stof komt het verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit de aarde;

  13. Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tot vliegen.

  14. Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten;

  15. Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan;

  16. Die den regen geeft op de aarde, en water zendt op de straten;

  17. Om de vernederden te stellen in het hoge; dat de rouwdragenden door heil verheven worden.

  18. Hij maakt te niet de gedachten der arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten.

  19. Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad der verdraaiden gestort wordt.

  20. Des daags ontmoeten zij de duisternis, en gelijk des nachts tasten zij in de middag.

  21. Maar Hij verlost den behoeftige van het zwaard, van hun mond, en van de hand des sterken.

  22. Zo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.

  23. Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.

  24. Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen.

  25. In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren.