Naar de inhoud

Bijbelverzen over Afflictions and Adversities: Despondency in

28 verzen · 5 aspecten

Verzen over Despondency in

Filter op boek
  1. Maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd.

  2. Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft.

  3. Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.

  4. Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.

  5. Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?

  6. Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.

  7. Ben ik oprecht, zo acht ik toch mijn ziel niet; ik versmaad mijn leven.

  8. Dat is een ding, daarom zeg ik: Den oprechte en den goddeloze verdoet Hij.

  9. Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.

  10. De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan?

  11. En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien.

  12. Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een arend naar het aas toevliegt.

  13. Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken;

  14. Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.

  15. Ik zal toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden?

  16. Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep;

  17. Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen.

  18. Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.

  19. Er is geen scheidsman tussen ons, die zijn hand op ons beiden leggen mocht.

  20. Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;

  21. Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.

  22. Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar.

  23. Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?

  24. Vertoont gij u slap ten dage uwer benauwdheid, uw kracht is nauw.

  25. Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.