- English
- King James KJV
- Complete Jewish CJB
- World English WEBM
- Berean Standard BSB
- American Standard ASV
- Geneva GNV
- Young's Literal YLT
- Douay-Rheims DRC
- International
- Shqip ALB
- العربية SVD
- বাংলা BN-IRV
- မြန်မာ Judson
- 简体文 CUV-S
- 繁體中文 CUV-T
- Čeština BKR
- Nederlands STVE
- Français LSG
- Deutsch SCH
- Ελληνικά Vamvas
- ગુજરાતી GU-IRV
- Hausa HCB
- עברית Hebrew
- हिन्दी HCV
- Magyar KAROLI
- Bahasa Indonesia INDO-TB
- Italiano Diodati
- 日本語 Kougo
- 한국어 Korean
- മലയാളം MAL
- मराठी MRCV
- Norsk DNB
- فارسی OPV
- Polski BG
- Português Almeida
- Română Cornilescu
- Русский Synodal
- Español RVG
- Kiswahili Neno
- Svenska SV1917
- Tagalog TAG-ADB
- தமிழ் TCV
- తెలుగు TSA
- ภาษาไทย THAI-KJV
- Українська Ohienko
- Tiếng Việt CADMAN
- Yorùbá YCB
circa 1446 BC
Sinai & The Law
God meets Israel at Mount Sinai, reveals the Ten Commandments, and establishes the Tabernacle and the priestly covenant.
Verzen uit dit tijdvak
- Leviticus 11:1ca. 1490 v.Chr.
En de HEERE sprak tot Mozes, en tot Aaron, zeggende tot hen:
- Leviticus 11:2ca. 1490 v.Chr.
Spreekt tot de kinderen Israels, zeggende: Dit is het gedierte, dat gij eten zult uit alle beesten, die op de aarde zijn.
- Leviticus 11:3ca. 1490 v.Chr.
Al wat onder de beesten de klauw verdeelt, en de kloof der klauwen in tweeen klieft, en herkauwt, dat zult gij eten.
- Leviticus 11:4ca. 1490 v.Chr.
Deze nochtans zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of de klauwen alleen verdelen: de kemel, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn;
- Leviticus 11:5ca. 1490 v.Chr.
En het konijntje, want het herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; dat zal u onrein zijn;
- Leviticus 11:6ca. 1490 v.Chr.
En den haas, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn.
- Leviticus 11:7ca. 1490 v.Chr.
Ook het zwijn, want dat verdeelt wel den klauw, en klieft de klove der klauwen in tweeen, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein zijn.
- Leviticus 11:8ca. 1490 v.Chr.
Van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas niet aanroeren, zij zullen u onrein zijn.
- Leviticus 11:9ca. 1490 v.Chr.
Dit zult gij eten van al wat in de wateren is: al wat in de wateren, in de zeeen en in de rivieren, vinnen en schubben heeft, dat zult gij eten;
- Leviticus 11:10ca. 1490 v.Chr.
Maar al wat in de zeeen en in de rivieren, van alle gewemel der wateren, en van alle levende ziel, die in de wateren is, geen vinnen of schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.
- Leviticus 11:11ca. 1490 v.Chr.
Ja, een verfoeisel zullen zij u zijn; van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij verfoeien.
- Leviticus 11:12ca. 1490 v.Chr.
Al wat in de wateren geen vinnen en schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.
- Leviticus 11:13ca. 1490 v.Chr.
En van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en de havik, en de zeearend,
- Leviticus 11:14ca. 1490 v.Chr.
En de gier, en de kraai, naar haar aard;
- Leviticus 11:15ca. 1490 v.Chr.
Elke rave naar haar aard;
- Leviticus 11:16ca. 1490 v.Chr.
En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
- Leviticus 11:17ca. 1490 v.Chr.
En de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit,
- Leviticus 11:18ca. 1490 v.Chr.
En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan,
- Leviticus 11:19ca. 1490 v.Chr.
En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vledermuis.
- Leviticus 11:20ca. 1490 v.Chr.
Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.
- Leviticus 11:21ca. 1490 v.Chr.
Dit nochtans zult gij eten van al het kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, hetwelk boven aan zijn voeten schenkelen heeft, om daarmede op de aarde te springen;
- Leviticus 11:22ca. 1490 v.Chr.
Van die zult gij deze eten: de sprinkhaan naar zijn aard, en de solham naar zijn aard, en den hargol naar zijn aard, en den hagab naar zijn aard.
- Leviticus 11:23ca. 1490 v.Chr.
En alle kruipend gevogelte, dat vier voeten heeft, zal u een verfoeisel zijn.
- Leviticus 11:24ca. 1490 v.Chr.
En aan deze zult gij verontreinigd worden; zo wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.
- Leviticus 11:25ca. 1490 v.Chr.
Zo wie van hun dood aas gedragen zal hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond.