Skip to content

Bijbelverzen over Night

79 verzen · 42 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Alzo zijn mij maanden der ijdelheid ten erve geworden, en nachten der moeite zijn mij voorbereid.

  2. Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij den avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan den schemertijd.

  3. Met het licht staat de moorder op, doodt den arme en den nooddruftige; en des nachts is hij als een dief.

  4. Ook neemt het oog des overspelers de schemering waar, zeggende: Geen oog zal mij zien; en hij legt een deksel op het aangezicht.

  5. Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen.

  6. Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw vernachtte op mijn tak.

  7. Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?

  8. Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.

  9. De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.

  10. Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?

  11. Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten! en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.

  12. Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.

  13. De dag is Uwe, ook is de nacht Uwe; Gij hebt het licht en de zon bereid.

  14. Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen.

  15. Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:

  16. De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.

  17. De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.

  18. De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.

  19. Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.

  20. Een lied Hammaaloth. Ziet, looft den HEERE, alle gij knechten des HEEREN! gij, die allen nacht in het huis des HEEREN staat.

  21. Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.

  22. In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid;

  23. Teth. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat des nachts niet uit.

  24. Ik zocht des nachts op mijn leger Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zeide:

  25. Ik sliep, maar mijn hart waakte, de stem mijns Liefsten, Die klopte, was: Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte! want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen.