Naar de inhoud

Bijbelverzen over Death

177 verzen · 6 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Zo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien. [ (Psalms 49:21) De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan. ]

  2. Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.

  3. Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.

  4. Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.

  5. Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.

  6. Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!

  7. Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten.

  8. Mijn bekenden hebt Gij verre van mij gedaan, Gij hebt mij hun tot een groten gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen.

  9. Mijn oog treurt vanwege verdrukking; HEERE! ik roep tot U den gansen dag; ik strek mijn handen uit tot U.

  10. Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela.

  11. Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf?

  12. Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?

  13. Maar ik, HEERE! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in den morgenstond.

  14. Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.

  15. De dagen des mensen zijn als het gras, gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij.

  16. Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.

  17. Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden.

  18. Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.

  19. De ogen des wijzen zijn in zijn hoofd, maar de zot wandelt in de duisternis. Toen bemerkte ik ook, dat enerlei geval hun allen bejegent.

  20. Dies zeide ik in mijn hart: Gelijk het den dwaze bejegent, zal het ook mijzelven bejegenen; waarom heb ik dan toen meer naar wijsheid gestaan? Toen sprak ik in mijn hart, dat ook hetzelve ijdelheid was.

  21. Want er zal in eeuwigheid niet meer gedachtenis van een wijze, dan van een dwaas zijn; aangezien hetgeen nu is, in de toekomende dagen altemaal vergeten wordt; en hoe sterft de wijze met den zot?

  22. Daarom haatte ik dit leven, want dit werk dacht mij kwaad, dat onder de zon geschiedt; want het is al ijdelheid en kwelling des geestes.

  23. Ik haatte ook al mijn arbeid, dien ik bearbeid had onder de zon, dat ik dien zou achterlaten aan een mens, die na mij wezen zal.

  24. Want wat den kinderen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten; en enerlei wedervaart hun beiden; gelijk die sterft, alzo sterft deze, en zij allen hebben enerlei adem, en de uitnemendheid der mensen boven de beesten is geen; want allen zijn zij ijdelheid.

  25. Zij gaan allen naar een plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof.