Skip to content

Bijbelverzen over Death

177 verzen · 6 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Hij daarentegen zeide tot hem: Dat zij verre, gij zult niet sterven. Zie, mijn vader doet geen grote zaak, en geen kleine zaak, die hij voor mijn oor niet openbaart; waarom zou dan mijn vader deze zaak van mij verbergen? Dat is niet.

  2. Toen zwoer David verder, en zeide: Uw vader weet zeer wel, dat ik genade in uw ogen gevonden heb; daarom heeft hij gezegd: Dat Jonathan dit niet wete, opdat hij zich niet bekommere; en zekerlijk, zo waarachtig als de HEERE leeft, en uw ziel leeft, er is maar als een schrede tussen mij en tussen den dood!

  3. Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezicht des HEEREN vernederd hebt, als gij hoordet, wat Ik gesproken heb tegen deze plaats en derzelver inwoners, dat zij tot een verwoesting en vloek zullen worden, en dat gij uw klederen gescheurd en voor Mijn aangezicht geweend hebt; zo heb Ik u ook verhoord, spreekt de HEERE.

  4. Daarom zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaderen, en gij zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uw ogen zullen al het kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats brengen zal. En zij brachten den koning het antwoord weder.

  5. Daar zijn de gebondenen te zamen in rust; zij horen de stem des drijvers niet.

  6. De kleine en de grote is daar; en de knecht vrij van zijn heer.

  7. Het oog desgenen, die mij nu ziet, zal mij niet zien; uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn.

  8. Een wolk vergaat en vaart henen; alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen.

  9. Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.

  10. Eer ik henenga (en niet wederkom) in een land der duisternis en der schaduwe des doods;

  11. Een stikdonker land, als de duisternis zelve, de schaduwe des doods, en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis.

  12. Want voor een boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich nog zal veranderen, en zijn scheut niet zal ophouden.

  13. Indien zijn wortel in de aarde veroudert, en zijn stam in het stof versterft;

  14. Hij zal van den reuk der wateren weder uitspruiten, en zal een tak maken, gelijk een plant.

  15. Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest, waar is hij dan?

  16. De wateren verlopen uit een meer, en een rivier droogt uit en verdort;

  17. Alzo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden.

  18. De wateren vermalen de stenen, het stof der aarde overstelpt het gewas, dat van zelf daaruit voortkomt; alzo verderft Gij de verwachting des mensen.

  19. Gij overweldigt hem in eeuwigheid, en hij gaat heen; veranderende zijn gelaat, zo zendt Gij hem weg.

  20. Zijn kinderen komen tot eer, en hij weet het niet; of zij worden klein, en hij let niet op hen.

  21. Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden.

  22. Tot de groeve roep ik: Gij zijt mijn vader! Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zuster!

  23. Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,

  24. Dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een ogenblik?

  25. Hoe dikwijls geschiedt het, dat de lamp der goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn!