Skip to content

Bijbelverzen over Despondency

79 verzen · 1 aspect

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten;

  2. Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;

  3. Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?

  4. Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.

  5. Want ik vreesde een vreze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen.

  6. Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen.

  7. Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden.

  8. Tot de groeve roep ik: Gij zijt mijn vader! Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zuster!

  9. Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen?

  10. Zij zullen ondervaren met de handbomen des grafs, als er rust te zamen in het stof wezen zal.

  11. Ik dacht aan mijn snarenspel; in den nacht overlegde ik in mijn hart, en mijn geest onderzocht:

  12. Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn?

  13. Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht?

  14. Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.

  15. Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht.

  16. Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.

  17. Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.

  18. Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.

  19. Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.

  20. Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.

  21. Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.

  22. Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.

  23. Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen.

  24. Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.

  25. Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld.