Skip to content

Bijbelverzen over Despondency: General references

79 verzen · 1 aspect

Verzen over General references

Filter op boek
  1. Toen spraken de kinderen Israels tot Mozes, zeggende: Zie, wij geven den geest, wij vergaan, wij allen vergaan!

  2. Al wie enigzins nadert tot den tabernakel des HEEREN, zal sterven; zullen wij dan den geest gevende verdaan worden?

  3. Daartoe zult gij onder dezelve volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben; want de HEERE zal u aldaar een bevend hart geven, en bezwijking der ogen, en mattigheid der ziel.

  4. En uw leven zal tegenover u hangen; en gij zult nacht en dag schrikken, en gij zult van uw leven niet zeker zijn.

  5. Des morgens zult gij zeggen: Och, dat het avond ware; en des avonds zult gij zeggen: Och, dat het morgen ware; vermits den schrik uws harten, waarmede gij zult verschrikt zijn, en vermits het gezicht uwer ogen, dat gij zien zult.

  6. Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag.

  7. Want Job antwoordde en zeide:

  8. De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen;

  9. Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne;

  10. Dat de duisternis en des doods schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen des dags!

  11. Diezelve nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome!

  12. Ziet, diezelve nacht zij eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome;

  13. Dat hem vervloeken de vervloekers des dags, die bereid zijn hun rouw te verwekken;

  14. Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads!

  15. Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen.

  16. Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb den geest gegeven, als ik uit den buik voortkwam?

  17. Waarom zijn mij de knieen voorgekomen, en waartoe de borsten, opdat ik zuigen zou?

  18. Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;

  19. Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;

  20. Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.

  21. Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben.

  22. Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;

  23. Daar zijn de gebondenen te zamen in rust; zij horen de stem des drijvers niet.

  24. De kleine en de grote is daar; en de knecht vrij van zijn heer.

  25. Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?