Naar de inhoud

circa 1446 BC

Moses & The Exodus

God raises up Moses to confront Pharaoh; the ten plagues culminate in Israel's dramatic deliverance from four centuries of bondage.

415 verzen · 1 boek behandeld

Verzen uit dit tijdvak

  1. Exodus 13:16ca. 1491 v.Chr.

    En het zal tot een teken zijn op uw hand, en tot voorhoofdspanselen tussen uw ogen; want de HEERE heeft door een sterke hand ons uit Egypte uitgevoerd.

  2. Exodus 13:17ca. 1491 v.Chr.

    En het is geschied, toen Farao het volk had laten trekken, zo leidde hen God niet op den weg van het land der Filistijnen, hoewel die nader was; want God zeide: Dat het den volke niet rouwe, als zij den strijd zien zouden, en wederkeren naar Egypte.

  3. Exodus 13:18ca. 1491 v.Chr.

    Maar God leidde het volk om, langs den weg van de woestijn der Schelfzee. De kinderen Israels nu togen bij vijven uit Egypteland.

  4. Exodus 13:19ca. 1491 v.Chr.

    En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich; want hij had met een zwaren eed de kinderen Israels bezworen, zeggende: God zal ulieden voorzeker bezoeken; voert dan mijn beenderen met ulieden op van hier!

  5. Exodus 13:20ca. 1491 v.Chr.

    Alzo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde der woestijn.

  6. Exodus 13:21ca. 1491 v.Chr.

    En de HEERE toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op den weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht.

  7. Exodus 13:22ca. 1491 v.Chr.

    Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts niet weg van het aangezicht des volks.

  8. Exodus 14:1ca. 1491 v.Chr.

    Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  9. Exodus 14:2ca. 1491 v.Chr.

    Spreek tot de kinderen Israels, dat zij wederkeren, en zich legeren voor Pi-Hachiroth, tussen Migdol en tussen de zee, voor Baal-Zefon; daar tegenover zult gij u legeren aan de zee.

  10. Exodus 14:3ca. 1491 v.Chr.

    Farao dan zal zeggen van de kinderen Israels: Zij zijn verward in het land; die woestijn heeft hen besloten.

  11. Exodus 14:4ca. 1491 v.Chr.

    En Ik zal Farao's hart verstokken, dat hij hen najage; en Ik zal aan Farao en aan al zijn heir verheerlijkt worden, alzo dat de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de HEERE ben. En zij deden alzo.

  12. Exodus 14:5ca. 1491 v.Chr.

    Toen nu de koning van Egypte werd geboodschapt, dat het volk vluchtte, zo is het hart van Farao en van zijn knechten veranderd tegen het volk, en zij zeiden: Waarom hebben wij dat gedaan, dat wij Israel hebben laten trekken, dat zij ons niet dienden?

  13. Exodus 14:6ca. 1491 v.Chr.

    En hij spande zijn wagen aan, en nam zijn volk met zich.

  14. Exodus 14:7ca. 1491 v.Chr.

    En hij nam zeshonderd uitgelezene wagens, ja, al de wagens van Egypte, en de hoofdlieden over die allen.

  15. Exodus 14:8ca. 1491 v.Chr.

    Want de HEERE verstokte het hart van Farao, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels najaagde; doch de kinderen Israels waren door een hoge hand uitgegaan.

  16. Exodus 14:9ca. 1491 v.Chr.

    En de Egyptenaars jaagden hen na, en achterhaalden hen, daar zij zich gelegerd hadden aan de zee; al de paarden, de wagens van Farao en zijn ruiters, en zijn heir; nevens Pi-Hachiroth, voor Baal-Zefon.

  17. Exodus 14:10ca. 1491 v.Chr.

    Als Farao nabij gekomen was, zo hieven de kinderen Israels hun ogen op, en ziet, de Egyptenaars togen achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderen Israels tot den HEERE.

  18. Exodus 14:11ca. 1491 v.Chr.

    En zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gans geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte gevoerd hebt?

  19. Exodus 14:12ca. 1491 v.Chr.

    Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven.

  20. Exodus 14:13ca. 1491 v.Chr.

    Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des HEEREN, dat Hij heden aan ulieden doen zal, want de Egyptenaars, die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in eeuwigheid.

  21. Exodus 14:14ca. 1491 v.Chr.

    De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.

  22. Exodus 14:15ca. 1491 v.Chr.

    Toen zeide de HEERE tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? Zeg den kinderen Israels, dat zij voorttrekken.

  23. Exodus 14:16ca. 1491 v.Chr.

    En gij, hef uw staf op, en strek uw hand uit over de zee, en klief dezelve, dat de kinderen Israels door het midden der zee gaan op het droge.

  24. Exodus 14:17ca. 1491 v.Chr.

    En Ik, zie, Ik zal het hart der Egyptenaren verstokken, dat zij na hen daarin gaan; en Ik zal verheerlijkt worden aan Farao en aan al zijn heir, aan zijn wagenen en aan zijn ruiteren.

  25. Exodus 14:18ca. 1491 v.Chr.

    En de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik verheerlijkt zal worden aan Farao, aan zijn wagenen en aan zijn ruiteren.