Skip to content

Bijbelverzen over Vows

136 verzen · 38 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Daarna, als zij hem gespeend had, bracht zij hem met zich opwaarts, met drie varren, en een efa meels, en een fles met wijn; en zij bracht hem in het huis des HEEREN te Silo; en het jongsken was zeer jong.

  2. Gij zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en gij zult uw geloften betalen.

  3. Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.

  4. Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.

  5. En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.

  6. Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?

  7. Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. Sela.

  8. Hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden. [ (Psalms 61:9) Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag. ]

  9. Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester.

  10. Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,

  11. Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.

  12. Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.

  13. Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.

  14. Kostelijk is in de ogen des HEEREN de dood Zijner gunstgenoten.

  15. Och, HEERE! zekerlijk ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, een zoon Uwer dienstmaagd; Gij hebt mijn banden losgemaakt.

  16. Ik zal U offeren, offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.

  17. Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.

  18. In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!

  19. Dat hij den HEERE gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende:

  20. Zo ik in de tent mijns huizes inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme!

  21. Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;

  22. Totdat ik voor den HEERE een plaats gevonden zal hebben, woningen voor den Machtige Jakobs!

  23. Het is een strik des mensen, dat hij het heilige verslindt, en na gedane geloften, onderzoek te doen.

  24. De woorden van de koning Lemuel; de last, maarmede zijn moeder hem onderwees.

  25. Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?