Skip to content

Bijbelverzen over Pride

303 verzen · 61 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.

  2. De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.

  3. Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet.

  4. Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.

  5. Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.

  6. Want de HEERE is hoog, nochtans ziet Hij de nederige aan, en den verhevene kent Hij van verre.

  7. Zekerlijk, de spotters zal Hij bespotten, maar den zachtmoedigen zal Hij genade geven.

  8. Deze zes haat de HEERE; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel:

  9. Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten;

  10. Ik, Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid.

  11. De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.

  12. Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.

  13. Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid.

  14. Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.

  15. Beter is, die zich gering acht, en een knecht heeft, dan die zichzelven eert, en des broods gebrek heeft.

  16. De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.

  17. Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.

  18. Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen ontfermt, die is welgelukzalig.

  19. Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.

  20. De tucht is onaangenaam voor dengene die het pad verlaat; en die de bestraffing haat, zal sterven.

  21. De spotter zal niet liefhebben, die hem bestraft; hij zal niet gaan tot de wijzen.

  22. Het huis der hovaardigen zal de HEERE afrukken; maar de landpale der weduwe zal Hij vastzetten.

  23. Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand.

  24. Al wie hoog is van hart, is den HEERE een gruwel; hand aan hand, zal hij niet onschuldig zijn.

  25. Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.