Skip to content

Bijbelverzen over Lasciviousness

68 verzen · 1 aspect

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen;

  2. Hij heeft een bundel gelds in zijn hand genomen; ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen.

  3. Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.

  4. Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.

  5. Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.

  6. Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.

  7. Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.

  8. Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele.

  9. Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.

  10. Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al.

  11. En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;

  12. Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:

  13. Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:

  14. De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.

  15. Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de diepten der hel.

  16. Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:

  17. De weg eens arends in den hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart der zee; en de weg eens mans bij een maagd.

  18. Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!

  19. Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen,

  20. Dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hovaardij, onverstand.

  21. Al deze boze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mens.

  22. Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden;

  23. En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten.

  24. Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkander te onteren;

  25. Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geeerd en gediend hebben boven den Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid, amen.