Skip to content

Bijbelverzen over God

662 verzen · 46 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien.

  2. Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een arend naar het aas toevliegt.

  3. Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken;

  4. Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.

  5. Ik zal toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden?

  6. Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep;

  7. Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen.

  8. Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.

  9. Er is geen scheidsman tussen ons, die zijn hand op ons beiden leggen mocht.

  10. Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;

  11. Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.

  12. Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.

  13. Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?

  14. Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?

  15. Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans?

  16. Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?

  17. Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse.

  18. Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, te zamen rondom mij zijn zij, en Gij verslindt mij.

  19. Gedenk toch, dat Gij mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen wederkeren.

  20. Hebt Gij mij niet als melk gegoten, en mij als een kaas doen runnen?

  21. Met vel en vlees hebt Gij mij bekleed; met beenderen ook en zenuwen hebt Gij mij samengevlochten;

  22. Benevens het leven hebt Gij weldadigheid aan mij gedaan, en Uw opzicht heeft mijn geest bewaard.

  23. Maar deze dingen hebt Gij verborgen in Uw hart; ik weet, dat dit bij U geweest is.

  24. Indien ik zondig, zo zult Gij mij waarnemen, en van mijn misdaad zult Gij mij niet onschuldig houden.

  25. Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende.