Skip to content

Bijbelverzen over God: Unclassified scriptures relating to

354 verzen · 46 aspecten

Verzen over Unclassified scriptures relating to

Filter op boek
  1. Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten;

  2. Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan;

  3. Die den regen geeft op de aarde, en water zendt op de straten;

  4. Om de vernederden te stellen in het hoge; dat de rouwdragenden door heil verheven worden.

  5. Hij maakt te niet de gedachten der arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten.

  6. Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad der verdraaiden gestort wordt.

  7. Des daags ontmoeten zij de duisternis, en gelijk des nachts tasten zij in de middag.

  8. Maar Hij verlost den behoeftige van het zwaard, van hun mond, en van de hand des sterken.

  9. Zo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.

  10. Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.

  11. Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen.

  12. In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren.

  13. In den honger zal Hij u verlossen van den dood, en in den oorlog van het geweld des zwaards.

  14. Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?

  15. Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden.

  16. Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?

  17. Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn;

  18. Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden;

  19. Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren;

  20. Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee;

  21. Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;

  22. Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.

  23. Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.

  24. Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?

  25. God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.