Naar de inhoud

circa 1010–970 BC

The Reign of David

David unites the tribes, conquers Jerusalem, and establishes Israel's golden age—even through deep personal failure.

1,230 verzen · 2 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. 2 Samuel 8:14ca. 1040 v.Chr.

    En hij legde bezettingen in Edom; in gans Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden David tot knechten; en de HEERE behoedde David overal, waar hij heentoog.

  2. 2 Samuel 8:15ca. 1040 v.Chr.

    Alzo regeerde David over gans Israel, en David deed aan zijn ganse volk recht en gerechtigheid.

  3. 2 Samuel 8:16ca. 1040 v.Chr.

    Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het heir; en Josafat, zoon van Achilud, was kanselier.

  4. 2 Samuel 8:17ca. 1040 v.Chr.

    En Zadok, zoon van Ahitub, en Achimelech, zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver.

  5. 2 Samuel 8:18ca. 1040 v.Chr.

    Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen.

  6. 2 Samuel 9:1ca. 1040 v.Chr.

    En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil?

  7. 2 Samuel 9:2ca. 1040 v.Chr.

    Het huis van Saul nu had een knecht, wiens naam was Ziba; en zij riepen hem tot David. En de koning zeide tot hem: Zijt gij Ziba? En hij zeide: Uw knecht.

  8. 2 Samuel 9:3ca. 1040 v.Chr.

    En de koning zeide: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe? Toen zeide Ziba tot den koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten.

  9. 2 Samuel 9:4ca. 1040 v.Chr.

    En de koning zeide tot hem: Waar is hij? En Ziba zeide tot den koning: Zie, hij is in het huis van Machir, den zoon van Ammiel, te Lodebar.

  10. 2 Samuel 9:5ca. 1040 v.Chr.

    Toen zond de koning David heen, en hij nam hem uit het huis van Machir, den zoon van Ammiel, van Lodebar.

  11. 2 Samuel 9:6ca. 1040 v.Chr.

    Als nu Mefiboseth, de zoon van Jonathan, den zoon van Saul, tot David inkwam, zo viel hij op zijn aangezicht, en boog zich neder. En David zeide: Mefiboseth! En hij zeide: Zie, hier is uw knecht.

  12. 2 Samuel 9:7ca. 1040 v.Chr.

    En David zeide tot hem: Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel.

  13. 2 Samuel 9:8ca. 1040 v.Chr.

    Toen boog hij zich, en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben?

  14. 2 Samuel 9:9ca. 1040 v.Chr.

    Toen riep de koning Ziba, Sauls jongen, en zeide tot hem: Al wat Saul gehad heeft, en zijn ganse huis, heb ik den zoon uws heren gegeven.

  15. 2 Samuel 9:10ca. 1040 v.Chr.

    Daarom zult gij voor hem het land bearbeiden, gij, en uw zonen, en uw knechten, en zult de vruchten inbrengen, opdat de zoon uws heren brood hebbe, dat hij ete; en Mefiboseth, de zoon uws heren, zal geduriglijk brood eten aan mijn tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten.

  16. 2 Samuel 9:11ca. 1040 v.Chr.

    En Ziba zeide tot den koning: Naar alles, wat mijn heer de koning zijn knecht gebiedt, alzo zal uw knecht doen. Ook zou Mefiboseth, etende aan mijn tafel, als een van des konings zonen zijn.

  17. 2 Samuel 9:12ca. 1040 v.Chr.

    Mefiboseth nu had een kleinen zoon, wiens naam was Micha; en allen, die in het huis van Ziba woonden, waren knechten van Mefiboseth.

  18. 2 Samuel 9:13ca. 1040 v.Chr.

    Alzo woonde Mefiboseth te Jeruzalem, omdat hij geduriglijk at aan des konings tafel; en hij was kreupel aan beide zijn voeten.

  19. 2 Samuel 10:1ca. 1037 v.Chr.

    En het geschiedde daarna, dat de koning der kinderen Ammons stierf, en zijn zoon Hanun werd koning in zijn plaats.

  20. 2 Samuel 10:2ca. 1037 v.Chr.

    Toen zeide David: Ik zal weldadigheid doen aan Hanun, den zoon van Nahas, gelijk als zijn vader weldadigheid aan mij gedaan heeft. Zo zond David heen, om hem door den dienst zijner knechten te troosten over zijn vader. En de knechten van David kwamen in het land van de kinderen Ammons.

  21. 2 Samuel 10:3ca. 1037 v.Chr.

    Toen zeiden de vorsten der kinderen Ammons tot hun heer Hanun: Eert David uw vader in uw ogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Heeft David zijn knechten niet daarom tot u gezonden, dat hij deze stad doorzoeke, en die verspiede, en die omkere?

  22. 2 Samuel 10:4ca. 1037 v.Chr.

    Toen nam Hanun Davids knechten, en schoor hun baard half af, en sneed hun klederen half af, tot aan hun billen; en hij liet hen gaan.

  23. 2 Samuel 10:5ca. 1037 v.Chr.

    Als zij dit David lieten weten, zo zond hij hun tegemoet; want deze mannen waren zeer beschaamd. En de koning zeide: Blijft te Jericho, totdat uw baard weder gewassen zal zijn, komt dan weder.

  24. 2 Samuel 10:6ca. 1037 v.Chr.

    Toen nu de kinderen Ammons zagen, dat zij zich bij David stinkende gemaakt hadden, zonden de kinderen Ammons heen, en huurden van de Syriers van Beth-Rechob, en van de Syriers van Zoba, twintig duizend voetvolks, en van den koning van Maacha duizend man, en van de mannen van Tob twaalf duizend man.

  25. 2 Samuel 10:7ca. 1037 v.Chr.

    Als David dit hoorde, zond hij Joab heen, en het ganse heir met de helden.