Naar de inhoud

circa 6 BC – AD 30

The Life of Jesus

The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.

3,779 verzen · 4 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Mattheüs 20:28ca. 33 n.Chr.

    Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.

  2. Mattheüs 20:29ca. 33 n.Chr.

    En als zij van Jericho uitgingen, is Hem een grote schare gevolgd.

  3. Mattheüs 20:30ca. 33 n.Chr.

    En ziet, twee blinden, zittende aan den weg, als zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Heere, Gij Zone Davids! ontferm U onzer.

  4. Mattheüs 20:31ca. 33 n.Chr.

    En de schare bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden; maar zij riepen te meer, zeggende: Ontferm U onzer, Heere, Gij Zone Davids!

  5. Mattheüs 20:32ca. 33 n.Chr.

    En Jezus, stil staande, riep hen en zeide: Wat wilt gij, dat Ik u doe?

  6. Mattheüs 20:33ca. 33 n.Chr.

    Zij zeiden tot Hem: Heere! dat onze ogen geopend worden.

  7. Mattheüs 20:34ca. 33 n.Chr.

    En Jezus, innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hun ogen aan; en terstond werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem.

  8. Mattheüs 21:1ca. 33 n.Chr.

    En als zij nu Jeruzalem genaakten, en gekomen waren te Beth-fage, aan de Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen:

  9. Mattheüs 21:2ca. 33 n.Chr.

    Gaat heen in het vlek, dat tegen u over ligt, en gij zult terstond een ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar; ontbindt ze, en brengt ze tot Mij.

  10. Mattheüs 21:3ca. 33 n.Chr.

    En indien u iemand iets zegt, zo zult gij zeggen, dat de Heere deze van node heeft, en hij zal ze terstond zenden.

  11. Mattheüs 21:4ca. 33 n.Chr.

    Dit alles nu is geschied, opdat vervuld worde, hetgeen gesproken is door den profeet, zeggende:

  12. Mattheüs 21:5ca. 33 n.Chr.

    Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen, zijnde een jong ener jukdragende ezelin.

  13. Mattheüs 21:6ca. 33 n.Chr.

    En de discipelen heengegaan zijnde, en gedaan hebbende, gelijk Jezus hun bevolen had,

  14. Mattheüs 21:7ca. 33 n.Chr.

    Brachten de ezelin en het veulen, en legden hun klederen op dezelve, en zetten Hem daarop.

  15. Mattheüs 21:8ca. 33 n.Chr.

    En de meeste schare spreidden hun klederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de bomen, en spreidden ze op den weg.

  16. Mattheüs 21:9ca. 33 n.Chr.

    En de scharen, die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna den Zone Davids! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!

  17. Mattheüs 21:10ca. 33 n.Chr.

    En als Hij te Jeruzalem inkwam, werd de gehele stad beroerd, zeggende: Wie is Deze?

  18. Mattheüs 21:11ca. 33 n.Chr.

    En de scharen zeiden: Deze is Jezus, de Profeet van Nazareth in Galilea.

  19. Mattheüs 21:12ca. 33 n.Chr.

    En Jezus ging in den tempel Gods, en dreef uit allen, die verkochten en kochten in den tempel, en keerde om de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten.

  20. Mattheüs 21:13ca. 33 n.Chr.

    En Hij zeide tot hen: Er is geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden; maar gij hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt.

  21. Mattheüs 21:14ca. 33 n.Chr.

    En er kwamen blinden en kreupelen tot Hem in den tempel, en Hij genas dezelve.

  22. Mattheüs 21:15ca. 33 n.Chr.

    Als nu de overpriesters en Schriftgeleerden zagen de wonderheden, die Hij deed, en de kinderen, roepende in den tempel, en zeggende: Hosanna den Zone Davids! namen zij dat zeer kwalijk;

  23. Mattheüs 21:16ca. 33 n.Chr.

    En zeiden tot Hem: Hoort Gij wel, wat dezen zeggen? En Jezus zeide tot hen: Ja; hebt gij nooit gelezen: Uit de mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof toebereid?

  24. Mattheüs 21:17ca. 33 n.Chr.

    En hen verlatende, ging Hij van daar uit de stad, naar Bethanie, en overnachtte aldaar.

  25. Mattheüs 21:18ca. 33 n.Chr.

    En des morgens vroeg, als Hij wederkeerde naar de stad, hongerde Hem.