Naar de inhoud

circa 6 BC – AD 30

The Life of Jesus

The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.

3,779 verzen · 4 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Johannes 12:15ca. 33 n.Chr.

    Vrees niet, gij dochter Sions, zie, uw Koning komt, zittende op het veulen ener ezelin.

  2. Johannes 12:16ca. 33 n.Chr.

    Doch dit verstonden Zijn discipelen in het eerst niet; maar als Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig, dat dit van Hem geschreven was, en dat zij Hem dit gedaan hadden.

  3. Johannes 12:17ca. 33 n.Chr.

    De schare dan, die met Hem was, getuigde dat Hij Lazarus uit het graf geroepen, en hem uit de doden opgewekt had.

  4. Johannes 12:18ca. 33 n.Chr.

    Daarom ging ook de schare Hem tegemoet, overmits zij gehoord had, dat Hij dat teken gedaan had.

  5. Johannes 12:19ca. 33 n.Chr.

    De Farizeen dan zeiden onder elkander: Ziet gij wel, dat gij gans niet vordert? Ziet, de gehele wereld gaat Hem na.

  6. Johannes 12:20ca. 33 n.Chr.

    En er waren sommige Grieken uit degenen, die opgekomen waren, opdat zij op het feest zouden aanbidden;

  7. Johannes 12:21ca. 33 n.Chr.

    Dezen dan gingen tot Filippus, die van Bethsaida in Galilea was, en baden hem, zeggende: Heer, wij wilden Jezus wel zien.

  8. Johannes 12:22ca. 33 n.Chr.

    Filippus kwam en zeide het Andreas; en Andreas en Filippus wederom zeiden het Jezus.

  9. Johannes 12:23ca. 33 n.Chr.

    Maar Jezus antwoordde hun, zeggende: De ure is gekomen, dat de Zoon des mensen zal verheerlijkt worden.

  10. Johannes 12:24ca. 33 n.Chr.

    Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort.

  11. Johannes 12:25ca. 33 n.Chr.

    Die zijn leven liefheeft, zal hetzelve verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven.

  12. Johannes 12:26ca. 33 n.Chr.

    Zo iemand Mij dient, die volge Mij; en waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn. En zo iemand Mij dient, de Vader zal hem eren.

  13. Johannes 12:27ca. 33 n.Chr.

    Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen.

  14. Johannes 12:28ca. 33 n.Chr.

    Vader, verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit den hemel, zeggende: En Ik heb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem wederom verheerlijken.

  15. Johannes 12:29ca. 33 n.Chr.

    De schare dan, die daar stond, en dit hoorde, zeide, dat er een donderslag geschied was. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken.

  16. Johannes 12:30ca. 33 n.Chr.

    Jezus antwoordde en zeide: Niet om Mijnentwil is deze stem geschied, maar om uwentwil.

  17. Johannes 12:31ca. 33 n.Chr.

    Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de overste dezer wereld buiten geworpen worden.

  18. Johannes 12:32ca. 33 n.Chr.

    En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken.

  19. Johannes 12:33ca. 33 n.Chr.

    (En dit zeide Hij, betekenende, hoedanigen dood Hij sterven zou.)

  20. Johannes 12:34ca. 33 n.Chr.

    De schare antwoordde Hem: Wij hebben uit de wet gehoord, dat de Christus blijft in der eeuwigheid; en hoe zegt Gij, dat de Zoon des mensen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des mensen?

  21. Johannes 12:35ca. 33 n.Chr.

    Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd is het Licht bij ulieden; wandelt, terwijl gij het Licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange. En die in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat.

  22. Johannes 12:36ca. 33 n.Chr.

    Terwijl gij het Licht hebt, gelooft in het Licht, opdat gij kinderen des Lichts moogt zijn. Deze dingen sprak Jezus; en weggaande verborg Hij Zich van hen.

  23. Johannes 12:37ca. 33 n.Chr.

    En hoewel Hij zovele tekenen voor hen gedaan had, nochtans geloofden zij in Hem niet;

  24. Johannes 12:38ca. 33 n.Chr.

    Opdat het woord van Jesaja, den profeet, vervuld werd, dat hij gesproken heeft: Heere, wie heeft onze prediking geloofd, en wien is de arm des Heeren geopenbaard?

  25. Johannes 12:39ca. 33 n.Chr.

    Daarom konden zij niet geloven, dewijl Jesaja wederom gezegd heeft: