Naar de inhoud

circa 6 BC – AD 30

The Life of Jesus

The eternal Son of God enters history: born in Bethlehem, baptized in the Jordan, crucified at Golgotha, raised on the third day.

3,779 verzen · 4 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Johannes 11:22ca. 33 n.Chr.

    Maar ook nu weet ik, dat alles, wat Gij van God begeren zult, God U het geven zal.

  2. Johannes 11:23ca. 33 n.Chr.

    Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal wederopstaan.

  3. Johannes 11:24ca. 33 n.Chr.

    Martha zeide tot Hem: Ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage.

  4. Johannes 11:25ca. 33 n.Chr.

    Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven;

  5. Johannes 11:26ca. 33 n.Chr.

    En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?

  6. Johannes 11:27ca. 33 n.Chr.

    Zij zeide tot Hem: Ja, Heere; ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zone Gods, Die in de wereld komen zou.

  7. Johannes 11:28ca. 33 n.Chr.

    En dit gezegd hebbende, ging zij heen, en riep Maria, haar zuster, heimelijk, zeggende: De Meester is daar, en Hij roept u.

  8. Johannes 11:29ca. 33 n.Chr.

    Deze, als zij dat hoorde, stond haastelijk op, en ging tot Hem.

  9. Johannes 11:30ca. 33 n.Chr.

    (Jezus nu was nog in het vlek niet gekomen, maar was in de plaats, waar Hem Martha tegemoet gekomen was.)

  10. Johannes 11:31ca. 33 n.Chr.

    De Joden dan, die met haar in het huis waren, en haar vertroostten, ziende Maria, dat zij haastelijk opstond en uitging, volgden haar, zeggende: Zij gaat naar het graf, opdat zij aldaar wene.

  11. Johannes 11:32ca. 33 n.Chr.

    Maria dan, als zij kwam, waar Jezus was, en Hem zag, viel aan Zijn voeten, zeggende tot Hem: Heere, indien Gij hier geweest waart, zo ware mijn broeder niet gestorven.

  12. Johannes 11:33ca. 33 n.Chr.

    Jezus dan, als Hij haar zag wenen, en de Joden, die met haar kwamen, ook wenen, werd zeer bewogen in den geest, en ontroerde Zichzelven;

  13. Johannes 11:34ca. 33 n.Chr.

    En zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Heere, kom en zie het.

  14. Johannes 11:35ca. 33 n.Chr.

    Jezus weende.

  15. Johannes 11:36ca. 33 n.Chr.

    De Joden dan zeiden: Ziet, hoe lief Hij hem had!

  16. Johannes 11:37ca. 33 n.Chr.

    En sommigen uit hen zeiden: Kon Hij, Die de ogen des blinden geopend heeft, niet maken, dat ook deze niet gestorven ware?

  17. Johannes 11:38ca. 33 n.Chr.

    Jezus dan wederom in Zichzelven zeer bewogen zijnde, kwam tot het graf; en het was een spelonk, en een steen was daarop gelegd.

  18. Johannes 11:39ca. 33 n.Chr.

    Jezus zeide: Neemt den steen weg. Martha, de zuster des gestorvenen, zeide tot Hem: Heere, hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen aldaar gelegen.

  19. Johannes 11:40ca. 33 n.Chr.

    Jezus zeide tot haar: Heb Ik u niet gezegd, dat, zo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?

  20. Johannes 11:41ca. 33 n.Chr.

    Zij namen dan den steen weg, waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen opwaarts, en zeide: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt.

  21. Johannes 11:42ca. 33 n.Chr.

    Doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort; maar om der schare wil, die rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.

  22. Johannes 11:43ca. 33 n.Chr.

    En als Hij dit gezegd had, riep Hij met grote stemme: Lazarus, kom uit!

  23. Johannes 11:44ca. 33 n.Chr.

    En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden met een zweetdoek. Jezus zeide tot hen: Ontbindt hem, en laat hem heengaan.

  24. Johannes 11:45ca. 33 n.Chr.

    Velen dan uit de Joden, die tot Maria gekomen waren, en aanschouwd hadden, hetgeen Jezus gedaan had, geloofden in Hem.

  25. Johannes 11:46ca. 33 n.Chr.

    Maar sommigen van hen gingen tot de Farizeen, en zeiden tot hen, hetgeen Jezus gedaan had.