Naar de inhoud

circa 1380–1050 BC

The Judges & Ruth

Israel cycles through rebellion, oppression, and rescue under charismatic leaders—culminating in Ruth's faithful love story.

703 verzen · 2 boeken behandeld

Verzen uit dit tijdvak

Filter op boek
  1. Richteren 17:5ca. 1419 v.Chr.

    En de man Micha had een godshuis; en hij maakte een efod, en terafim, en vulde de hand van een uit zijn zonen, dat hij hem tot een priester ware.

  2. Richteren 17:6ca. 1419 v.Chr.

    In diezelve dagen was er geen koning in Israel; een iegelijk deed, wat recht was in zijn ogen.

  3. Richteren 17:7ca. 1419 v.Chr.

    Nu was er een jongeling van Bethlehem-Juda, van het geslacht van Juda; deze was een Leviet, en verkeerde aldaar als vreemdeling.

  4. Richteren 17:8ca. 1419 v.Chr.

    En deze man was uit die stad, uit Bethlehem-Juda getogen, om te verkeren, waar hij gelegenheid zou vinden. Als hij nu kwam aan het gebergte van Efraim tot aan het huis van Micha, om zijn weg te gaan,

  5. Richteren 17:9ca. 1419 v.Chr.

    Zo zeide Micha tot hem: Van waar komt gij? En hij zeide tot hem: Ik ben een Leviet, van Bethlehem-Juda, en ik wandel, om te verkeren, waar ik gelegenheid zal vinden.

  6. Richteren 17:10ca. 1419 v.Chr.

    Toen zeide Micha tot hem: Blijf bij mij, en wees mij tot een vader en tot een priester; en ik zal u jaarlijks geven tien zilverlingen, en orde van klederen, en uw leeftocht; alzo ging de Leviet met hem.

  7. Richteren 17:11ca. 1419 v.Chr.

    En de Leviet bewilligde bij dien man te blijven; en de jongeling was hem als een van zijn zonen.

  8. Richteren 17:12ca. 1419 v.Chr.

    En Micha vulde de hand van den Leviet, dat hij hem tot een priester wierd; alzo was hij in het huis van Micha.

  9. Richteren 17:13ca. 1419 v.Chr.

    Toen zeide Micha: Nu weet ik, dat de HEERE mij weldoen zal, omdat ik dezen Leviet tot een priester heb.

  10. Richteren 18:1ca. 1406 v.Chr.

    In die dagen was er geen koning in Israel; en in dezelve dagen zocht de stam der Danieten voor zich een erfenis om te wonen; want hun was tot op dien dag onder de stammen van Israel niet genoegzaam ter erfenis toegevallen.

  11. Richteren 18:2ca. 1406 v.Chr.

    Zo zonden de kinderen van Dan uit hun geslacht vijf mannen uit hun einden, mannen, die strijdbaar waren, van Zora en van Esthaol, om het land te verspieden, en dat te doorzoeken; en zij zeiden tot hen: Gaat, doorzoekt het land. En zij kwamen aan het gebergte van Efraim, tot aan het huis van Micha, en vernachtten aldaar.

  12. Richteren 18:3ca. 1406 v.Chr.

    Zijnde bij het huis van Micha, zo kenden zij de stem van den jongeling, den Leviet; en zij weken daarheen, en zeiden tot hem: Wie heeft u hier gebracht, en wat doet gij alhier, en wat hebt gij hier?

  13. Richteren 18:4ca. 1406 v.Chr.

    En hij zeide tot hen: Zo en zo heeft Micha mij gedaan; en hij heeft mij gehuurd, en ik ben hem tot een priester.

  14. Richteren 18:5ca. 1406 v.Chr.

    Toen zeiden zij tot hem: Vraag toch God, dat wij mogen weten, of onze weg, op welken wij wandelen, voorspoedig zal zijn.

  15. Richteren 18:6ca. 1406 v.Chr.

    En de priester zeide tot hen: Gaat in vrede; uw weg, welke gij zult heentrekken, is voor den HEERE.

  16. Richteren 18:7ca. 1406 v.Chr.

    Toen gingen die vijf mannen heen, en kwamen te Lais; en zij zagen het volk, hetwelk in derzelver midden was, zijnde gelegen in zekerheid, naar de wijze der Sidoniers, stil en zeker zijnde; en daar was geen erfheer, die iemand om enige zaak schande aandeed in dat land; ook waren zij verre van de Sidoniers, en hadden niets te doen met enigen mens.

  17. Richteren 18:8ca. 1406 v.Chr.

    En zij kwamen tot hun broederen te Zora en te Esthaol, en hun broeders zeiden tot hen: Wat zegt gijlieden?

  18. Richteren 18:9ca. 1406 v.Chr.

    En zij zeiden: Maakt u op, en laat ons tot hen optrekken; want wij hebben dat land bezien, en ziet, het is zeer goed; zoudt gij dan stil zijn? Weest niet lui om te trekken, dat gij henen inkomt, om dat land in erfelijke bezitting te nemen;

  19. Richteren 18:10ca. 1406 v.Chr.

    (Als gij daarhenen komt, zo zult gij komen tot een zorgeloos volk, en dat land is wijd van ruimte) want God heeft het in uw hand gegeven; een plaats, alwaar geen gebrek is van enig ding, dat op de aarde is.

  20. Richteren 18:11ca. 1406 v.Chr.

    Toen reisden van daar uit het geslacht der Danieten, van Zora en van Esthaol, zeshonderd man, aangegord met krijgswapenen.

  21. Richteren 18:12ca. 1406 v.Chr.

    En zij togen op, en legerden zich bij Kirjath-Jearim, in Juda; daarom noemden zij deze plaats, Machane-Dan, tot op dezen dag; ziet, het is achter Kirjath-Jearim.

  22. Richteren 18:13ca. 1406 v.Chr.

    En van daar togen zij door naar het gebergte van Efraim, en zij kwamen tot aan het huis van Micha.

  23. Richteren 18:14ca. 1406 v.Chr.

    Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Lais te verspieden, en zeiden tot hun broederen: Weet gijlieden ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij.

  24. Richteren 18:15ca. 1406 v.Chr.

    Toen weken zij daarheen, en kwamen aan het huis van den jongeling, den Leviet, ten huize van Micha; en zij vraagden hem naar vrede.

  25. Richteren 18:16ca. 1406 v.Chr.

    En de zeshonderd mannen, die van de kinderen van Dan waren, met hun krijgswapenen aangegord, bleven staan aan de deur van de poort.