Skip to content

Bijbelverzen over War

639 verzen · 45 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet.

  2. Gij stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn.

  3. Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken.

  4. Mijn schande is den gansen dag voor mij, en de schaamte mijns aangezichts bedekt mij;

  5. De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela.

  6. Komt, aanschouwt de daden des HEEREN, Die verwoestingen op aarde aanricht.

  7. God is in haar paleizen; Hij is er bekend voor een Hoog Vertrek.

  8. Want ziet, de koningen waren vergaderd; zij waren te zamen doorgetogen.

  9. Gelijk zij het zagen, alzo waren zij verwonderd; zij werden verschrikt, zij haastten weg.

  10. Beving greep hen aldaar aan, smart als van een barende vrouw.

  11. Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn verbond.

  12. Een gouden kleinood van David tot lering, voor den opperzangmeester, op Schusan Eduth;

  13. Als hij gevochten had met de Syriers van Mesopotamie, en met de Syriers van Zoba; en Joab wederkwam, en de Edomieten sloeg in het Zoutdal, twaalf duizend.

  14. O God! Gij hadt ons verstoten, Gij hadt ons gescheurd, Gij zijt toornig geweest; keer weder tot ons.

  15. Om Uws tempels wil te Jeruzalem, zullen U de koningen geschenk toebrengen.

  16. En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion.

  17. En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan.

  18. Een psalm van Asaf. O God! Heidenen zijn gekomen in Uw erfenis; zij hebben den tempel Uwer heiligheid verontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld.

  19. Zij hebben de dode lichamen Uwer knechten aan het gevogelte des hemels tot spijs gegeven; het vlees Uwer gunstgenoten aan het gedierte des lands.

  20. Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten; en er was niemand, die hen begroef.

  21. Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wraak des vergoten bloeds Uwer knechten onder de heidenen voor onze ogen bekend worden.

  22. Hij keerde hun hart om, dat zij Zijn volk haatten, dat zij met Zijn knechten listiglijk handelden.

  23. Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten.

  24. Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog.

  25. Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderkens grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal.