Naar de inhoud

Bijbelverzen over Red Sea

47 verzen · 6 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. De koning Salomo maakte ook schepen te Ezeon-Geber, dat bij Eloth is, aan den oever der Schelfzee, in het land van Edom.

  2. En Gij hebt aangezien onzer vaderen ellende in Egypte, en Gij hebt hun geroep gehoord aan de Schelfzee;

  3. En Gij hebt tekenen en wonderen gedaan aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan al het volk zijns lands; want Gij wist, dat zij trotselijk tegen hen handelden; en Gij hebt U een Naam gemaakt, als het is te dezen dage.

  4. En Gij hebt de zee voor hun aangezicht gekliefd, dat zij in het midden der zee op het droge zijn doorgegaan; en hun vervolgers hebt Gij in de diepten geworpen, als een steen in sterke wateren.

  5. Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd.

  6. Hij kliefde de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als een hoop.

  7. Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt.

  8. Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op Uw wonderen; zij zijn der menigte Uwer goedertierenheid niet gedachtig geweest; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de Schelfzee.

  9. Doch Hij verloste hen om Zijns Naams wil, opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte.

  10. En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn.

  11. En Hij verloste hen uit de hand des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands.

  12. En de wateren overdekten hun wederpartijders; niet een van hen bleef over.

  13. Wonderdaden in het land van Cham; vreselijke dingen aan de Schelfzee.

  14. Dien, Die de Schelfzee in delen deelde; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

  15. En voerde Israel door het midden van dezelve; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

  16. Hij heeft Farao met zijn heir gestort in de Schelfzee; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

  17. Alzo zegt de HEERE, Die in de zee een weg, en in de sterke wateren een pad maakte;

  18. Die wagenen en paarden, heir en macht voortbracht; te zamen zijn zij nedergelegen, zij zullen niet weder opstaan, zij zijn uitgeblust, gelijk een vlaswiek zijn zij uitgegaan.

  19. Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode zee, en in de woestijn, veertig jaren.

  20. En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn;

  21. En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee;

  22. Door het geloof zijn zij de Rode zee doorgegaan, als door het droge; hetwelk de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken.