Skip to content

Bijbelverzen over Passover

161 verzen · 14 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee dien mens, door welken de Zoon des mensen verraden wordt! Het ware hem goed, zo die mens niet geboren ware geweest.

  2. En als zij aten, nam Jezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij het, en gaf het hun, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.

  3. En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien; en zij dronken allen uit denzelven.

  4. En Hij zeide tot hen: Dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt.

  5. Voorwaar, Ik zeg u, dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer Ik dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Gods.

  6. En op het feest liet hij hun een gevangene los, wien zij ook begeerden.

  7. En Zijn ouders reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van pascha.

  8. En toen Hij twaalf jaren oud geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte van den feestdag;

  9. En de dagen aldaar voleindigd hadden, toen zij wederkeerden, bleef het Kind Jezus te Jeruzalem, en Jozef en Zijn moeder wisten het niet.

  10. Maar menende, dat Hij in het gezelschap op den weg was, gingen zij een dagreize, en zochten Hem onder de magen, en onder de bekenden.

  11. En als zij Hem niet vonden, keerden zij wederom naar Jeruzalem, Hem zoekende.

  12. En het geschiedde, na drie dagen, dat zij Hem vonden in den tempel, zittende in het midden der leraren, hen horende, en hen ondervragende.

  13. En allen, die Hem hoorden, ontzetten zich over Zijn verstand en antwoorden.

  14. En zij, Hem ziende, werden verslagen; en Zijn moeder zeide tot Hem: Kind! waarom hebt Gij ons zo gedaan? Zie, Uw vader en ik hebben U met angst gezocht.

  15. En Hij zeide tot hen: Wat is het, dat gij Mij gezocht hebt? Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?

  16. En zij verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak.

  17. En de dag der ongehevelde broden kwam, op denwelken het pascha moest geslacht worden.

  18. En Hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: Gaat heen, en bereidt ons het pascha, opdat wij het eten mogen.

  19. En zij zeiden tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij het bereiden?

  20. En Hij zeide tot hen: Ziet, als gij in de stad zult gekomen zijn, zo zal u een mens ontmoeten, dragende een kruik waters; volgt hem in het huis, daar hij ingaat.

  21. En gij zult zeggen tot den huisvader van dat huis: De Meester zegt u: Waar is de eetzaal, daar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?

  22. En hij zal u een grote toegeruste opperzaal wijzen, bereidt het aldaar.

  23. En zij, heengaande, vonden het, gelijk Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha.

  24. En als de ure gekomen was, zat Hij aan, en de twaalf apostelen met Hem.

  25. En Hij zeide tot hen: Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde;