Naar de inhoud

Bijbelverzen over Law

175 verzen · 2 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.

  2. En indien uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.

  3. Er is ook gezegd: Zo wie zijn vrouw verlaten zal, die geve haar een scheidbrief.

  4. Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzaak van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel.

  5. Wederom hebt gij gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult den eed niet breken, maar gij zult den Heere uw eden houden.

  6. Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods;

  7. Noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank Zijner voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des groten Konings;

  8. Noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet een haar kunt wit of zwart maken;

  9. Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze.

  10. Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.

  11. Maar Ik zeg u, dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;

  12. En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook den mantel;

  13. En zo wie u zal dwingen een mijl te gaan, gaat met hem twee mijlen.

  14. Geeft dengene, die iets van u bidt, en keert u niet af van dengene, die van u lenen wil.

  15. Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult gij haten.

  16. Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen;

  17. Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

  18. De wet en de profeten zijn tot op Johannes; van dien tijd af wordt het Koninkrijk Gods verkondigd, en een iegelijk doet geweld op hetzelve.

  19. En het is lichter, dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat een tittel der wet valle.

  20. Is het ons geoorloofd den keizer schatting te geven, of niet?

  21. En Hij, hun arglistigheid bemerkende, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij?

  22. Toont Mij een penning; wiens beeld en opschrift heeft hij? En zij, antwoordende, zeiden: Des keizers.

  23. En Hij zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is.

  24. Onze vaders hebben op deze berg aangebeden; en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden.

  25. Jezus zeide tot haar: Vrouw, geloof Mij, de ure komt, wanneer gijlieden, noch op dezen berg, noch te Jeruzalem, den Vader zult aanbidden.