Skip to content

Bijbelverzen over Law: General references

22 verzen · 2 aspecten

Verzen over General references

  1. Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.

  2. De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende.

  3. De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.

  4. Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.

  5. Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;

  6. Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen.

  7. HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.

  8. Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!

  9. Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.

  10. Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.

  11. Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.

  12. Die de wet verlaten, prijzen de goddelozen; maar die de wet bewaren, mengen zich in strijd tegen hen.

  13. De kwade lieden verstaan het recht niet; maar die den HEERE zoeken, verstaan alles.

  14. Is het ons geoorloofd den keizer schatting te geven, of niet?

  15. En Hij, hun arglistigheid bemerkende, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij?

  16. Toont Mij een penning; wiens beeld en opschrift heeft hij? En zij, antwoordende, zeiden: Des keizers.

  17. En Hij zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is.

  18. Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die der wet zijn, dezen, de wet niet hebbende, zijn zichzelven een wet;

  19. Als die betonen het werk der wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende, of ook ontschuldigende).

  20. Doch wij weten, dat de wet goed is, zo iemand die wettelijk gebruikt;

  21. En hij dit weet, dat den rechtvaardigen de wet niet is gezet, maar den onrechtvaardigen en den halsstarrigen, den goddelozen en den zondaren, den onheiligen en den ongoddelijken, den vadermoorders en den moedermoorders, den doodslagers,

  22. Den hoereerders, dien, die bij mannen liggen, den mensendieven, den leugenaars, den meinedigen, en zo er iets anders tegen de gezonde leer is;