Skip to content

Bijbelverzen over Judgments

271 verzen · 91 aspecten

Belangrijke bijbelverzen

Filter op boek
  1. Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren.

  2. Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad;

  3. Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.

  4. Ziet, Ik zal over ulieden een volk van verre brengen, o huis Israels! spreekt de HEERE; het is een sterk volk, het is een zeer oud volk, een volk, welks spraak gij niet zult kennen, en niet horen, wat het spreken zal.

  5. Zijn pijlkoker is als een open graf; zij zijn altemaal helden.

  6. En het zal uw oogst en uw brood opeten, dat uw zonen en uw dochteren zouden eten; het zal uw schapen en uw runderen opeten; het zal uw wijnstok en uw vijgeboom opeten; uw vaste steden, op dewelke gij vertrouwt, zal het arm maken, door het zwaard.

  7. Nochtans zal Ik ook in die dagen, spreekt de HEERE, geen voleinding met ulieden maken.

  8. En de profeet Jeremia zeide tot den profeet Hananja: Hoor nu, Hananja! de HEERE heeft u niet gezonden, maar gij hebt gemaakt, dat dit volk op leugen vertrouwt.

  9. Daarom, zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal u wegwerpen van den aardbodem; dit jaar zult gij sterven, omdat gij een afval gesproken hebt tegen den HEERE.

  10. Alzo stierf de profeet Hananja in datzelfde jaar, in de zevende maand.

  11. En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Doet toch deze gruwelijke zaak niet, die Ik haat.

  12. Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, om zich van hun boosheid te bekeren, dat zij anderen goden niet roken.

  13. Daarom is Mijn grimmigheid en Mijn toorn uitgestort, en heeft gebrand in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; zodat zij tot eenzaamheid en tot verwoesting geworden zijn, gelijk het is te dezen dage.

  14. Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.

  15. Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht.

  16. Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.

  17. Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.

  18. Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.

  19. Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.

  20. Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.

  21. Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.

  22. Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.

  23. Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen.

  24. Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.

  25. Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld.